Kwangie zoent niet zo graag…

“Hoewel ik sociaal niet zo handig ben, ben ik behoorlijk handig in het vermijden van anti-sociaal gedrag.”

kwangie, november 2010

 

Er zijn maar een paar mensen die ik graag zoen.
Dat zijn de mensen waar ik blij van word als ik ze zie.
De rest van de wereld zou ik het liefst niet zoenen.

Laat staan drie keer.

Het probleem is echter dat er geen duidelijke zoenetiquettes zijn.
Nergens staat vastgelegd wie je wel en wie je niet zoent.
Noch is bekend bij de hoeveelste begroeting het handjes-schudden vervangen wordt door de drie smakkerds.

Je moet het allemaal maar een beetje áánvoelen.

En weet je, je mag er niet eens eerlijk over zijn.
“Ik vind het niet zo prettig om je te zoenen. Het is niet dat ik je heel goed ken of zo. Vind je het okee als ik je een hand geef?” dat horen mensen gewoon niet graag.
En als je ze eenmaal voor het hoofd hebt gestoten, is de kans klein dat ze het gauw vergeten zijn.
Niet handig als je zo’n persoon nog vaker tegen gaat komen.

Of erger: Dat je bij die persoon in loondienst bent of op de erfgenamenlijst wenst te blijven staan.

En er wórdt me toch een partij afgezoend hier in Nederland.
Men!
Dat heeft, denk ik, te maken met de oerhollandse gezelligheid.
Alles is zo heerlijk knus. Zo samen bij elkaar. En voor je het weet zoen je elkaar drie keer bij binnenkomst en drie keer bij vertrek.

Ben je eenmaal beland in het zoen-stadium, dan is het niet meer de bedoeling dat je elkaar de hand schudt. Want dat is een degeneratie van de kameraadschap.

Er is gewoon geen weg terug.

Om te voorkomen dat ik met te veel mensen in dat hele zoen gebeuren beland, heb ik zo mijn maniertjes ontwikkeld om de mensen op een gezonde afstand te houden.

De geveinsde ziekte
Wat altijd werkt is de: “Ik kan je helaas niet zoenen, want ik ben snótverkouden!”
Lekker is dat.

Die zogenaamde mensen die je nabij staan, zijn spontaan vies van je als je aangeeft dat je ziek bent. Maar goed, ze zullen je in ieder geval met rust laten.

Het wrijfje
Een andere prima methode is het wrijfje.
Zodra iemand met een bedreigende houding op je afstapt, strek je je arm uit en pak je diens bovenarm stevig vast.
Vervolgens *wrijf* *wrijf* *wrijf* je quasi liefkozend over de bovenarm en breng je vlucht het gesprek op gang. “Heeeee, hoe is het met jou dan?”
Het is zeer belangrijk dat je daarbij zorgt dat de ander gaat praten.
Voor je het weet zijn ze vergeten dat ze je wilden zoenen.
*Pfieuw!*

Het voordeel van het wrijfje, is dat het vriendelijk overkomt en toch geen wrijving oplevert.

Oeh-aaaah!
Zie je het wrijven niet zitten?
Dan is er nog de ik-raak-helemaal-in-extase-van-het-nieuwe-kapsel/kledingstuk/figuurtje van de ander. Het vergt wel een beetje oog voor detail.
Nog voordat de ander in je comfortzone stapt, moet je een kreet slaken.
“OOOOOOH!”, roep je dan, “wat zit je haar leuk!” of  “wat een ontzéttend leuk jasje” of “jeetje, wat ben jij afgevallen, zeg!”
De ander zal bijna altijd op voldoende afstand blijven staan, zodat je hem/haar nog verder kunt bewonderen. En het mooiste is dat je er allebei blij van wordt!

Ik geef graag complimenten en als het dan ook nog eens goed uitkomt met mijn zoenfobie, dan is het alleen maar mooi meegenomen, toch?

Je ziet.
Ik moet behoorlijk mijn best doen om me niet te misdragen.
En het ligt echt niet aan jou.
Dat ik je liever een compliment geef of een ziekte veins of een wrijfje schenk.

Ik zoen gewoon niet zo graag.

Even goede vrienden?

Another 10 confessions of a Muts

Eigenlijk ben ik heel erg saai.
Ik rook niet.
Ik drink niet.
Ik eet vlees noch vis.
En ik bel nooit als ik in een stiltecoupé zit.

Al met al.
Ik leef niet op het randje.
Nooit gedaan ook.

Vandaar dat ik weinig inspiratie heb om te schrijven.
Ik maak gewoon niet zo veel mee!
 
Bij gebrek aan inspiratie stuur ik nogmaals een bekentenissenlogje de wereld in.
Neem dit stokje gerust over.
En wees niet te zuinig met het delen van je eigenaardigheden!
Hoef ik ook niet te denken dat ik heel speciaal ben.
 
 
ANOTHER TEN CONFESSIONS OF A MUTS

1.
Ik drink cola.
Líters.
En ik hou mezelf voor de gek dat het zo slecht niet is, omdat het light of zero is.
Waarbij ik voor het gemak vergeet dat zoetstoffen ook geen vitamines zijn.

2.
Het rijtje noord-oost-zuid-west onthoud ik zo:
‘Naast Ollie Zit Wollie’

3.
Ik ben fan van The Dog Whisperer.
Ik hou namelijk heel erg veel van honden.
Vooral die stil in een hoekje zitten en nooit blaffen of tegen je aanspringen.
En dat is precies wat die Dog Whisperer doet.
Hij maakt van elke valse keffer een schoothondje.
Bravo!!

4.
Ik heb ooit eens bij een parfumerie gestaan.
Voor een flesje Beerenburg.

5.
De maand november is traditioneel de maand waarin mensen hun hand op de knip houden.
Ik daarentegen heb deze maand al binnengehaald:
– een paar laarzen;
– zwarte pumps;
– enkellaarsjes met 10 cm hak;
– grijze denims;
– mooi colbertje;
– een little black dress en;
– een veel te dure maar o zo prachtige suede tas.
Verwacht dus niet teveel van uw kerstkado!

6.
Ik moet altijd huilen als ik zo’n Derek Ogilvie zie. Of een Char. Of welk ander medium ook.
Het kan me niet schelen dat Char het hele alfabet afgaat.
“Is er iemand met een A? B? C? D? E? F? G? G! in de familie? Ik wist het. Met een G!”
Mijn traanbuisjes springen spontaan open.

7.
Over vier maanden word ik dertig.
Ik geloof dat Michael Jackson nog leeft.

8.
Ik ga de laptop regelmatig met een pincet te lijf.
Vroeger ging ik er ook weleens met de stofzuiger overheen.
Maar sinds ik twee toetsen moet missen, doe ik dat niet meer.
Nu pers ik het tangetje tussen de toetsen en wip ik alle stof en haartjes ertussen uit.
Zéér rustgevend.

9.
Ik wilde vroeger graag ballerina worden.
Of zangeres.
Of actrice.
Of musicalster. Met de nadruk op ster!
Maar ik had zeker nooit gedacht dat ik Kantoormiep zou worden.

10.
Ik poets het hele huis één keer
in de week dat iemand bij ons op bezoek komt.

Keys telling

Waarschijnlijk heb je hem elke dag bij je.
En iedere keer als je de deur achter je dichttrekt, check je stiekem of ie er nog is.
Je zult hem nooit zomaar afgeven aan een vreemde.

Maar een goede buur, vriend of familielid mag hem best hebben.

Hoewel ik hem nog nooit ben kwijtgeraakt, kan ik ‘m toch nooit vinden.
Ik ga er vrij nonchalant mee om, maar ik moet er niet aan denken om hem kwijt te zijn!

Dan zou ik iedere dag met een onbehaaglijk gevoel rond lopen. Brrrr!

 

Ik heb het over mijn sleutelbos.
Die volgens collega Y. veel persoonlijker is dan je denkt.
Je draagt hem iedere dag bij je.
Pimpt het al dan niet op.
En hoe iemand met zijn sleutels omgaat, vertelt veel over hoe je zelf bent.

Aldus Y.

Ik ging spontaan op zoek naar mijn sleutels.
Die altijd wel ergens in mijn tas zitten (maar nooit op een vaste plek).

En bekeek ze met hele andere ogen.

Want ja.
Ik ben vrij chaotisch en probeer dat te verhullen door gestructureerd te zijn.
En dat zie je terug.
Zo heb ik bewust de fietssleutels niet aan mijn huissleutels hangen.
Je zou de één ooit maar kwijt raken, niet?
Dan heb je in ieder geval de andere bos nog.

Het is een logica van nul, maar toch.

En welke sleutels draag ik bij me?
Onze huissleutel en die van het huis van Zus & Gijs.
Want daar loop ik zo binnen.
Verder hangen de sleutels aan een zwarte keycord van het werk.
En die sleutels zijn weer opgepimpt met sleutelhangers uit Hong Kong, Shanghai en Moskou.

Drie plaatsen waar ik namens mijn werk leuke tijden heb beleefd.

Ik denk dat je uit mijn sleutelbos kunt concluderen dat ik graag het zekere voor het onzekere neem. Wellicht ook dat ik een tikje workaholic ben (want van mijn ‘gewone’ reizen heb ik geen sleutelhanger). Maar ook dat ik me welkom voel bij Zus en Gijs.

Het maakte me ook nieuwsgierig.
Hoe hebben andere mensen hun sleutels eigenlijk gebundeld?
Heb je veel of juist weinig sleutels bij je?
Hebben de eventuele sleutelhangers ook nog een betekenis voor je?
En weet je toevallig ook nog waar elke sleutel toe dient?

Want dat schijnt ook vaak voor te komen. Dat je rondloopt met een stuk metaal, waarvan je niet weet welk slot het opent.

 

Kortom:
Tell me more about your keys, and I might tell you some about yourself!

Lidwoorden zijn zeg maar niet mijn ding

Weet je wat ik hevig frustrerend vind?

Lidwoorden.

Als eerste generatie allochtoon heb ik altijd ontzettend mijn best gedaan om goed Nederlands te kunnen. Ik wilde niet voldoen aan het stereotype Sambalbij? en eigenlijk ben ik gewoon te competitief om onder te doen aan wie dan ook.

Toen ik voor het eerst verbeterd werd omdat ik “die meisje” zei – wat tegenwoordig overigens hartstikke hip is – nam ik mij voor om alle woorden uit het hoofd te leren.

Toch moet ik toegeven dat ik geen snars begrijp van de ‘de en het’.
Alle lessen van Meneer Altena ten spijt.

Ik snap er gewoon helemaal niets van!

Want wanneer is het de. En wanneer is het het?
Denk daar maar eens over na!
Ik heb het al aan veel mensen gevraagd, maar niemand kon mij ooit een sluitend antwoord geven.

En aan “Dat wéét ik gewoon.” of “Je hóórt of het klinkt of niet” heb ik natuurlijk niets, hè?

Net zo min aan het consequente van de Nederlandse taal.
Want.
Waarom is het de mens, maar spreken we van “dat mèns!”

Meneer Altena heeft toch echt gezegd dat je ‘die’ gebruikt voor de-woorden en ‘dat’ voor het-woorden.

En hoe moet je ooit leren horen of iets klinkt of niet?
Zeker als je je bedenkt dat je gewoon de Chinees hebt, maar ook het Chinees.

Wat wel een wezenlijk verschil is, maar toch.

Ik heb echt gezocht naar een beetje houvast.
Maar die is er gewoon niet.
Het is de maan, de naam, maar het raam.
Het is de zak, de lak, maar het dak.

Het is de koe, maar het rund.

Het (de?) enige wat ik zeker weet, is dat (die?) ik het (de?) allemaal zo zeker niet weet!

Update 29-10-2010:
Ik      :    “Is het de of het sleutelbos?”
Hij    :    “de!”
Ik      :    “Waarom?”
Hij    :    “Gewoon… Dat is gewoon zo!”
Ik      :    “Ja, maar het is toch het bos?”
Hij    :    “Ja, maar het is toch de sleutelbos.”
Ik      :    “Nou, lekker is dat!”

De wc-monologen

Ligt het aan mij of is het slecht gesteld met de wc’s van tegenwoordig?

Vroeger trok je aan een touwtje en je hele hebben en houden werd in een wervelwind van water meegesleurd.
Zoef.
Weg.
Klaar!
Precies zoals het hoort.
Je gaat naar de wc, doet je ding en je trekt door.
Dan gaat het leven verder.
Alsof er nooit iets is gebeurd.
Lekker simpel en eenvoudig.

Hoe anders is het met de wc’s van nu.
Allereerst dat keuzemenu.
In de vorm van een grote en een kleine knop.
Waarom in hemelsnaam?
Wie wil er dan zo nodig een béétje doortrekken?
Kom op, zeg!
Een stukje meer daadkracht, graag.

Maar goed.
Twee keuzes, dus.
En de optie om niet door te spoelen, maar zo ben ik niet.
Zelf ga ik steevast voor de grote knop.
En die houd ik dan ingedrukt, net zolang totdat alles netjes weg is.

Maar wat ik echt, echt, écht strontvervelend vind, is dat er bijna altijd een prop wc papier blijft zweven.
Mijn hemel.
Wat is het tegenwoordig toch moeilijk om een stukje toiletpapier door te trekken!
Zeker als je haast hebt.

Dan moet je weer wachten tot de stortbak volloopt.
Wat een eeuwigheid duurt.
En als je denkt ‘zo kan ie wel weer…’, dan blijkt toch dat je iets te ongeduldig bent.
Waardoor er te weinig water is en je wederom moet wachten tot de stortbak volloopt…
Ver-schrik-ke-lijk!

Hoezo moet het allemaal zo moeilijk?
Waarom kan het niet *zoef* weg?
Ik wil gewoon door met mijn leven.

Alsof er nooit iets is gebeurd.
Lekker simpel en eenvoudig.

Voor alle vergeefse pogingen drijvend papier ten onder te brengen.
En al het verspilde water dat zo’n modernistisch plee verbruikt.
Vraag ik.
Geef ons terug het het géén-vrije-keus-systeem op alle toiletten!
Mijn dank zal groot zijn.