Broccoli blijf bij je lees(t)

Worden jullie al gek van alle zwangerschapsverhalen?

a. Ja! Hou er eens over op!
b. Een beetje.
c. Nee, hoor! Vertel gerust verder want ik lees het toch allemaal niet.

Nou, het spijt me.
Ik wil best iets vertellen over broccoli, maar daar weet ik gewoon niet zoveel over te vertellen.
Behalve dat het goed voor je is.

Dus blijf ik maar een beetje bij de leest, schoenmaker die ik ben.
Ik weet niet of het iets met mijn huidige toestand te maken heeft, maar ik ben ineens nóg slechter geworden in Algemeen Beschaafd Nederlands. Had ik voorheen vooral moeite met lidwoorden, tegenwoordig moet ik echt moeite doen om hele zinnen te maken!

Zo wist ik niet meer of je in je handjes kunt klappen of wrijven.
Gelukkig kunnen de meeste mensen het allebei – mits je armen lang genoeg zijn dat je handen elkaar kunnen raken.
Maar waar het mij om ging is hoe de uitdrukking ookal weer luidde.
Als iemand heel erg blij met je mag zijn, mag hij dan in zijn handjes klappen of mag hij dan in zijn handjes wrijven? Dat laatste lijkt me de juiste, maar ik vind hem ineens niet meer zo logisch. Waarom zou je in je handen wrijven als je blij bent? Ik wrijf alleen maar in mijn handen als ik het koud heb. En dan ben ik écht niet blij, hoor!

Of laatst.
Twijfelde ik of je nekharen overeind gaan staan of dat ze overeind springen.
En als ik héél eerlijk ben, heb ik bij het schrijven van dit stuk behoorlijk vaak op Google gezeten.
Want is het nou schoenmaker of schoenenmaker?
En blijft hij bij de lees of bij de leest?
Wat ís een lees(t) überhaupt?
En waarom moet ik zo nodig uitdrukkingen gebruiken die mijn pet te boven gaan?

U ziet, ik heb het allemaal niet meer op een rijtje!
Zal ik het dan toch maar over broccoli hebben?

Lidwoorden zijn zeg maar niet mijn ding

Weet je wat ik hevig frustrerend vind?

Lidwoorden.

Als eerste generatie allochtoon heb ik altijd ontzettend mijn best gedaan om goed Nederlands te kunnen. Ik wilde niet voldoen aan het stereotype Sambalbij? en eigenlijk ben ik gewoon te competitief om onder te doen aan wie dan ook.

Toen ik voor het eerst verbeterd werd omdat ik “die meisje” zei – wat tegenwoordig overigens hartstikke hip is – nam ik mij voor om alle woorden uit het hoofd te leren.

Toch moet ik toegeven dat ik geen snars begrijp van de ‘de en het’.
Alle lessen van Meneer Altena ten spijt.

Ik snap er gewoon helemaal niets van!

Want wanneer is het de. En wanneer is het het?
Denk daar maar eens over na!
Ik heb het al aan veel mensen gevraagd, maar niemand kon mij ooit een sluitend antwoord geven.

En aan “Dat wéét ik gewoon.” of “Je hóórt of het klinkt of niet” heb ik natuurlijk niets, hè?

Net zo min aan het consequente van de Nederlandse taal.
Want.
Waarom is het de mens, maar spreken we van “dat mèns!”

Meneer Altena heeft toch echt gezegd dat je ‘die’ gebruikt voor de-woorden en ‘dat’ voor het-woorden.

En hoe moet je ooit leren horen of iets klinkt of niet?
Zeker als je je bedenkt dat je gewoon de Chinees hebt, maar ook het Chinees.

Wat wel een wezenlijk verschil is, maar toch.

Ik heb echt gezocht naar een beetje houvast.
Maar die is er gewoon niet.
Het is de maan, de naam, maar het raam.
Het is de zak, de lak, maar het dak.

Het is de koe, maar het rund.

Het (de?) enige wat ik zeker weet, is dat (die?) ik het (de?) allemaal zo zeker niet weet!

Update 29-10-2010:
Ik      :    “Is het de of het sleutelbos?”
Hij    :    “de!”
Ik      :    “Waarom?”
Hij    :    “Gewoon… Dat is gewoon zo!”
Ik      :    “Ja, maar het is toch het bos?”
Hij    :    “Ja, maar het is toch de sleutelbos.”
Ik      :    “Nou, lekker is dat!”