Langs de lijn

Nergens anders is de beschaving zo uitgekleed als op de zaterdagochtend, langs de lijn, op het voetbalveld. En dan heb ik het over mijzelf, beste mensen. Dit gaat wederom over me, myself, and I, dus wees gewaarschuwd.
Het ziet er niet mooi uit.

Hoe ik mijzelf zie:
een redelijke moeder, die plezier belangrijker vindt dan prestatie. Verder kunnen kinderen best tegen een stootje. En fanatiek mag, maar het moet vooral leuk blijven. Het is tenslotte maar kindervoetbal.

Ik herhaal: redelijkheid is het sleutelwoord. Plezier boven prestatie, opstaan-en-weer-doorgaan-mentaliteit en het moet vooral leuk blijven. Want: kindervoetbal.

Hoe ik echt ben:
hysterische tijgermoeder die krijsend het veld op wil rennen zodra haar kind over de eigen veters struikelt en de rest van de wedstrijd aanwijzingen loopt te brullen als een pro.

Ho! Stop!
Mag ik eerst even voor mezelf pleiten dat ik jarenlang getraind ben als musicalster in mijn tienerjaren?
Oké, oké, misschien is dat ietwat overdreven, maar ik heb drie jaar lang in een zogenaamde musicalklas gezeten, vergelijkbaar met een muziekles of cursus pottenbakken. Niet vreemd dus, dat mijn stem gewend is om een volle zaal ouders en verzorgers die verplicht naar hun kroost komen kijken te bedienen. Dus als ik roep: PAS OP! ACHTER JE!, draaien mensen aan de andere kant van de stad zich om, verbaasd wie of wat er achter zich zou kunnen bevinden.

Maar mens, wat is het moeilijk om mezelf in te houden.
Naar voren! Omkeren! Aansluiten! Bewegen!
Ik roep het allemaal.
Je zou haast denken dat ik er verstand van had (heb ik niet).

En het is haast onmogelijk om niet het veld op te rennen zodra de Watermeloen op de grond ligt.
Oh! My!
Mijn hart ligt aan diggelen op het voetbalveld.
Voor de mensen die dat niet weten: voetballers liggen notoir vaak op de grond. Kijk maar naar de profvoetballers, die vallen al om als de wind waait. Met name het twaalfmeter-gebied is een soort Bermudadriehoek van onzichtbare obstakels waar profvoetballers over struikelen.

Terwijl Watermeloen op de grond ligt, schiet het ene na het andere rampscenario door mijn hoofd. Van een gescheurde nagel tot een gekneusde teen tot een verstuikte enkel tot een gebroken been. Op dertig plaatsen! En hoe moet dat dan woensdag… en wat als… -Oh. Hij staat alweer op en rent lekker door. Pfff

En hoe het zit met leuk?
Wees gerust, ik zou nooit tegen een kind schreeuwen of een ouder van het andere team knijpen. Ik schop ook zeker geen kinderen, laat de scheids met rust en zal niet het veld oprennen om een bal van de tegenpartij uit het doel te houden.
Ik doe hoogstens een schietgebedje waarin ik beloof maandelijks 5 euro over te maken aan een goed doel als het andere team NU een eigen doel maakt.
IN MIJN HOOFD, mensen, in mijn HOOFD.
Van de buitenkant zie je er niets van.
Beloofd.
Hoogstens een blosje van de inspanning om alle gedachten binnen te houden.

Zie? Heel beschaafd allemaal. Leuk, joh, dat kindervoetbal.

Vroeger was alles beter (6)

We hebben tegenwoordig veel minder tijd.
Vierentwintig uur anno 2026 is een stuk minder dan, pak ‘m beet, vierentwintig uur in 2000.
Zolang niemand de inflatie corrigeert, hou je onder aan de streep maar weinig over.
En die schaarste merk je.

De zomervakantie bijvoorbeeld.
Die duurde vroeger een eeuwigheid.
Zes hele weken. Achter. Elkaar.

De eerste week was het probleem niet. Die kwam je wel door met uitslapen en lummelen. Je trok je favoriete tracksuit uit de kast en knaagde op een eierkoek (want Sonja Bakker, weet je nog? Omdat we nog niet van onszelf hadden leren houden). De daaropvolgende vijf weken telde elke dag driedubbel. De zomer ging maar door en door en door en door.

Mocht je eindelijk terug naar school, waren je broeken drie centimeter korter en je vrienden vijf tinten bruiner. Hilariteit alom, omdat iedereen zijn arm tegen de jouwe aanhield en zei dat ie net zo bruin was geworden als jij.

Hahahaha!
Hahaha.
Ha…
oh.

#misschienwasvroegertochnietallesbeter

En nu?
Nu vliegen de zomers voorbij, is vóór de wekker wakker worden het nieuwe uitslapen en is er elk uur wel iemand (ik noem geen namen, maar zijn naam begint met een W en rijmt op katercitroen) die roept:
– Wat gaan we eten?
– Nee, niet alwéér [vul maar in].
– Ik wil iets anders eten. Iets L.E.K.K.E.R.S!
Gevolgd door een pleidooi voor de drie P’s.
#pizzapatatenpannenkoekenhooligan

Waarom wil hij altijd eten? Het lijkt nog maar zo kort geleden dat ie tevreden was met een aai over de bol en een flesje warme melk. Hij wilde niets anders! 350 milliliter hield hem zoet voor de hele nacht.

Waar blijft de tijd?
Wie zit achter deze scam?
Wat is het einddoel hier?

Zoveel vragen, zo weinig tijd.

.

.

.

Nu we het er toch over hebben: ik blijf voorlopig stukjes posten tot de eierkoek op is. Daarna duik ik als vanouds onder en zien we elkaar weer ergens in 2031 of zo.

No worries. Je zult er weinig van merken. Vijf jaar is praktisch een lang weekend tegenwoordig.

Komt goed. Ooit. Doeiiiii

Vroeger was alles beter (5)

Toen deze blog nog springlevend was, was Vroeger was alles beter een terugkerend item, waarin ik mijmerde over de hoogtijdagen van de flippo’s en de heupbroek waardoor menig bilspleet spontaan genas van een chronisch vitamine-D tekort. Heel veel meer memorabels kan ik me niet meer herinneren, want we hadden geen iPhones of social media om alles te documenteren, maar toch.

Niet dat ik geloof dat vroeger altijd alles beter was (opgroeien in de jaren ’90/’00 betekende ook te pas en te onpas een hand op je billen – en nee, dat was echt niet omdat wildvreemde mannen je bilspleet probeerden te beschermen), maar wat ik soms, heel soms mis, is hoe ik zelf vroeger was.

Allereerst: hoezo heb ik een blog?!
Ik bedoel, ik ben geen beroemdheid, heb niets te verkopen en ook geen blijde boodschap te verkondigen. Er is ook geen rode draad in de onderwerpen van mijn stukjes, behalve dat ze allemaal over mijzelf gaan.
En dat vond ik – vreemd genoeg – helemaal niet raar.

Ik mis de Kwan die volkomen schaamteloos en zelf-onbewust door het leven ging en er geen seconde bij stilstond dat niemand stond te wachten op haar onzin. Ik vond het zélf leuk en dus was het ook leuk. Simpel als wat.

En toen Puk en Watermeloen waren geboren, heb ik nog lang een dankbaar onderwerp gehad voor de blog en stukjes.
Ik was een Kris Jenner avant la lettre, mensen!
Behalve dat ik de privacy van de kinderen altijd heb willen beschermen en daarom nooit hun naam of foto’s online deel.
En behalve, misschien, dat Kris Jenner een dubieuze, doch zeer succesvolle zakenvrouw is en ik rondren als de laatste neurochirurg tijdens een zombie-apocalyps.
Maar toch!
Wie weet had ik nu wel een heel imperium en een setje verknipte kinderen rijker kunnen zijn!

Maar alle gekheid op een stokje: ik kan echt niet verklaren waarom ik stukjes over mezelf schrijf – laat staan met het internet deel.

But here we are.

.

.

.

Als je zover bent gekomen: dank voor je tijd.

.

.

.

Als je er nog steeds bent: serieus, dankjewel.

.

.

.

Eh… ik geloof dat dit het wel weer was voor vandaag.

.

.

.

#awkward

Over kaarten, apen en een scheelziende hond

Aangezien ik de vorige eeuw nog heb meegemaakt – de hoogtijdagen van de Flippo’s, van de scheiding van PTT Post en PTT Telecom en van de heupbroek die menig bilspleet het licht liet zien – stuur ik soms een kaartje.
Toegegeven, een appje sturen is sneller, goedkoper en gemakkelijker, maar dat is misschien wel de charme van een kaartje: je moet er een beetje moeite voor doen.

Ik wilde een kaartje sturen naar een vriendin die een droom van een atelier heeft geopend. Om haar te feliciteren en te vertellen hoe stoer ik haar vond, hoe trots ik op haar ben en dat ik haar creativiteit, ondernemerschap en lef bewonderde. 

Dus kocht ik een kaart in de winkel en ging er thuis mee aan de slag.
Ik schreef “Lieve…” en “Zo trots op je!” en wilde nog een grapje maken over de aap op de voorkant van het kaartje toen het zweet me uitbrak.
Want.
Die aap op de voorkant van de kaart.
Kan dat eigenlijk wel? Is dat niet ongepast?!

Ik bedoel, monkey business en zo. En de aap uit de mouw en al draagt een aap een gouden ring geven niet bepaald positieve vibes als je dat zo naast elkaar ziet.
Dat ik daar niet eerder aan had gedacht.
Waar zat ik met mijn hoofd?

Vlug versnipperde ik de kaart alsof ik daarmee zeven jaar ongeluk kon afwenden.
Ik fietste op en neer naar de winkel en begon vol goede moed aan kaart nummer twee.
Dit keer zonder aap, maar met een scheel-kijkende hond op de voorkant.
Een serieus schattige, schele hond.
Echt zo een waar je blij van wordt.

Behalve als de hond in het echt ook scheelziet.
Dan is het best zielig.
Dat ik dat schattig vond. En er blij van werd.
Want hoe luidde dat spreekwoord ook alweer?
Iets met een hond in de pot die slaapt en je vooral niet wakker mag maken als ‘ie scheelziet, want anders krijg je zeven jaar hondenhaar, hondenweer, HONDSDOLHEID!
Goede genade.
Ik wens vriendin veel, maar zeker geen rabiës!

Zo moest kaart nummer twee er ook aan geloven.
Verscheurd.
Versnipperd.
Als confetti in de papierbak.

Toch gaf ik de poging een persoonlijke boodschap te sturen niet op. Het gaat immers om het gebaar, niet waar? Ik pakte een A4-tje, ging ervoor zitten en haalde diep, diep, diep adem.
Want zo’n leeg, wit blad volschrijven, dat is nog niet zo gemakkelijk.
Er is zoveel ruimte.
Zoveel potentie.
Zo. Veel. Stress!
Ik begon tig keer opnieuw, besefte na poging nummer vierendertig dat ik – in plaats van een kaartje – een BRIEF schreef, en dat dat niet alleen vreemd en raar, maar zelfs een beetje creepy was.
Ik bedoel, wie stuurt er tegenwoordig nog een brief, behalve de Belastingdienst, stalkers en kidnappers?
Misschien jaag ik vriendin wel de stuipen op het lijf.
Bezorg ik haar een hartverzakking.
Of… of…
Help! Stop! Ik ben geen engerd.
of is dat juist iets wat een engerd zou zeggen?

Lang verhaal kort:
Ik stuurde geen brief.
Ik stuurde ook geen kaartje.
Ik stuurde niet eens een appje.
Maar ik schreef wel weer een blog.

Herkansing

Bij het optreden van Lucky Fonz III in Doornroosje, kwam ik mijn leraar Nederlands tegen.
Meneer A. was niets veranderd.
Maar ik ook niet.
Dus in mijn hoofd ging het van ik-zou-hem-moeten-vertellen-dat en misschien-is-dat-een-beetje-gek.
Ondertussen wilde ik hem vragen hoe het met hem gaat, zoals ieder ander functionerende mens en schreeuwde een stem in mijn achterhoofd DOE NORMAAL en siste een andere don’t embarrass yourself, en schoot door me heen dat ik in het Engels dacht in front of waar mijn leraar Nederlands bij was.
Dat is als vloeken in de kerk.
Maar dan in Doornroosje.

Meneer A. vroeg hoe het met me ging en vertelde dat hij weleens mijn stukjes las.
“Maar niet allemaal, hoor,” zei hij geruststellend.
Ik maakte een mentale aantekening dat de dingen die ik schrijf daadwerkelijk gelezen worden, dat dat betekende dat ik mezelf sowieso voor schut zette in front of iedereen, maar jeeh! Lezers!

Wie ik ook tegenkwam bij Lucky Fonz III in Doornroosje was mijn lerares klassieke talen.
Mevrouw D.
Ze was niets veranderd.
Maar ik ook niet.
Dus moest ik de neiging onderdrukken om alle naamvallen-rijtjes op te noemen.
Ik bedoel… het is vrij zeker dat zij ze allemaal kent – en het is een beetje sneu om nog stééds goedkeuring nodig te hebben, toch?
Toch?!
En nogmaals sorry, mevrouw D. dat ik de dichterlijke vrijheid heb genomen om onze ontmoeting op de reunie ietwat aan te dikken.

Terug naar meneer A.
Die weleens mijn stukjes las.
Maar niet allemaal.
Hij vertelde dat hij het stuk had gelezen waarin meneer B., de wiskundeleraar, in voorbijkwam.
Meneer B., die mijn wiskundige talent in een vroeg stadium herkende en doorverwees naar de wereld der letteren, die beste meneer B. leeft helaas niet meer.
En meneer A. heeft mijn stuk, het blad waarin het stuk stond, bij de weduwe van meneer B. in de brievenbus gestopt. En heel waarschijnlijk heeft mevrouw de weduwe van meneer B. alle stukken in dat blad gelezen, behalve het mijne, maar toch.
Het gebaar ontroerde me.
Ik werd er stil van.
Letterlijk.
Ik ben er vrij zeker van dat ik helemaal niets heb gezegd.
Daar bij het optreden van Lucky Fonz III in Doornroosje.

Dus net als op school, ga ik voor de herkansing.

Met mij gaat het goed en met u?
Wat leuk om u te zien.
Dat is lang geleden, he?
En dank u wel.
Voor alles.