De grote namenparade

Nog maar 19 weken (of minder) te gaan en dan moeten we de watermeloen een naam geven.
Nu vind ik Watermeloen best een leuke naam, maar Lief vindt het niets.
Net als de zevenhonderd-drie-en-negentig andere namen die ik voorstelde.
Stuk voor stuk afgekeurd.

De één was ‘meer een hondennaam’.
De andere was ‘gewoon niets’.
En weer een andere was ‘tien keer niets’.

“Zullen we hem anders No Name noemen?” opperde ik.
Maar u raadt het al, óók niet goed
En het komt echt niet alleen door de hormonen dat ik er chagerijnig van word.

Het moment dat we wisten dat er een watermeloen op komst was, had ik Lief al vriendelijk doch dringend verzocht op zoek te gaan naar dé naam.
Het excuus was echter dat we nog niet wisten of het een roze of een blauwe watermeloen zou worden.
Na de 20 weken echo.
Dán konden we 50% van de namen elimineren.
“Dat is veel efficienter!” aldus Lief.
Dus wachtte ik geduldig af.

Afgelopen week was het dan ein-de-lijk zover.
We hoefden alleen nog maar te denken aan een jongensnaam.
In één klap 50% minder namen om naar om te kijken.
Dat geeft de mens hoop.

“Heb je al een naam bedacht?” vroeg ik meteen aan Lief.
“Nee…”
“Kun je me vertellen wanneer je wél een naam bedacht hebt?”
“Nee… Ik kan dat niet onder druk.”
“Maar…”
“Sorry.”
“Je hebt nog maar 19 weken!”
“Of meer.”
“Of MINDER!” schreeuwde ik dreigend.

Maar Lief is niet zo snel onder de indruk van een bonk aan hormonale hysterie.
En dus heet de watermeloen, nog gewoon Watermeloen.
Behalve als uw hond Watermeloen heet.
Dan noemen we hem Kiwi.

Advertenties

29 februari

Ergens tussen vandaag en morgen zijn Lief en ik veertien-en-een-half jaar samen.
“Dat moeten we vieren!”, vind ik, “elk half jaar is er weer één!”
Maar als het aan Lief ligt, is het volgende feest pas als we 25 jaar samen zijn.
Veertien-en-een-half jaar is namelijk “niets”.
En bovendien is er dit jaar geen 29 februari – een veel gebruikt excuus om het halfjaarlijkse jubileum over te slaan.

Nu geef ik mezelf niet zo snel gewonnen ben ik best van het overleggen en compromis sluiten, maar niet stil staan bij de heugelijke momenten in het leven dat kan echt niet. Dat is als het kopje dat achteloos op het aanrecht wordt gelegd, terwijl iemand anders net anderhalf uur de keuken heeft staan boenen en schrobben ik noem geen namen.

Wat mij betreft moeten we echt vaker stilstaan.
Genieten van de mooie momenten in het leven.
En ja, daar hoort veertien-en-een-half jaar vieren óók bij.

Dus bij deze.
Lief, bedankt voor het afgelopen half jaar en op naar het volgende feestje!

Rijden-rijden-rijden in een wagentje…

Er zijn drie dingen die je moet weten voordat je dit stuk leest:

1. Ik haat-háát-HAAT auto rijden
2. Ik hou van regeltjes en complimenten
3. Lief is zijn naam niet waardig

Ik haat-háát-HAAT auto rijden.
Iedereen kan een rijbewijs halen.
Het is een kwestie van een lange adem.
Als je genoeg geld hebt, kun je gerust 28 keer op voor je rijexamen, maar niemand die je ooit zal zeggen dat je simpelweg niet bekwaam bent. Het is zelfs zo, dat als je maar vaak genoeg zakt, je zelfs extra tijd erbij krijgt om te laten zien dat je het niet kunt.
Een chirurg-in-opleiding die 28 keer het verkeerde been afsnijdt, krijgt ook echt zijn diploma niet!
Ik bedoel maar…

Elke keer als ik de weg op moet, ben ik me ontzettend bewust van het feit dat werkelijk waar ie-der-een achter het stuur kan zitten.
Ook mensen zónder rijbewijs.
Of mensen die gedronken hebben (en dan bedoel ik uiteraard niet een glaasje water).
Of mensen die een selfie aan het maken zijn.

En dus zweet ik duizend peentjes per seconde en zit ik met opgetrokken schouders achter het stuur met de voet boven de rem, klaar voor al het onheil dat we tegen kunnen komen.
Gelukkig is Lief zo’n haantje type die liever zelf achter het stuur kruipt. Je weet wel, zo’n kerel met één arm uit het raam en de andere losjes op het stuur. Liefst nog een beetje onderuit gezakt in de stoel. Got the picture?
Dus meestal rijdt Lief en zit ik er lijdzaam naast.

“Maar je moet het wel bij houden!” beweert Lief.
En aldus geschiedde het dat ik afgelopen zaterdag naar Zus ging.
Met de auto.
Aan de bestuurderskant.
Lief stapte netjes in en gaf me alle tijd om alle spiegels en toeters en bellen goed af te stellen.

Hij zou de kaart lezen (digitaal uiteraard) en het enige wat ik hoefde te doen was ons drietjes veilig te brengen van A (Nijmegen) naar B (Hilversum).

Na zo’n dik half uurtje, voelde ik me eindelijk een beetje zen.
Ik, die nog liever drie uur met de trein onderweg ben, dan dat ik een uurtje in de auto zit, was lekker aan het cruisen.
Wat een oppermachtig gevoel was dat!
Alleen jammer dat Lief me vertelde dat ik pas tien minuten onderweg was en nog wel vijftig minuten te gaan had.

Eigenlijk ging het best wel goed.
Af en toe schreeuwde ik naar Lief (“Zit verdomme niet de hele tijd in mijn spiegels te kijken!”) en Lief liet zich van zijn meest diplomatieke kant zien (“Goh, misschien heb je het net gemist, maar je mag hier 120. Ja, ik moet zeggen dat het bord echt helemaal verscholen zat, ik zou hem zelf ook gemist hebben, hoor!”)
De kleine Puk sliep als een roosje en ook Hilversum was eindelijk in zicht.

Totdat HET gebeurde.
Het.
Het moment van no return.
Ik reed netjes op de rechterbaan.
Gewoon exact 120, zoals het hoort.
En bijna – bijna – had ik er misschien zelfs een klein beetje lol in.
Totdat Lief vanuit het niets riep: ” JE MAG NIET RECHTS INHALEN!”
Wat? Huh!? Ik? Rechts inhalen?
Geen háár op mijn hoofd dat ik dat zou doen.

“JE MAG NIET RECHTS INHALEN!” scandeerde Lief als een nazi “JE MAG NIET RECHTS INHALEN!”

Wat was het geval?
Ik reed netjes op de rechterbaan.
Gewoon exact 120, zoals het hoort.
En bijna – bijna – had ik er misschien zelfs een klein beetje lol in.

Maar op de middelste baan (één baan links van mij) reed een idioot auto met een aanhangwagen.
Netjes 80 km per uur te rijden.

En mocht je op de middelbare school niet zo goed zijn geweest in wiskunde, vraag dan maar even aan iemand na wat er gebeurt als een idioot auto met een aanhangwagen 80 km per uur rijdt op de middelste baan en een auto netjes 120 km per uur rijdt op de rechterbaan.
Tja.
Ik zal het even voorzeggen.
In Liefs wereld, ben je dan rechts aan het inhalen.
En dat mag dus niet.

Dus bleven er volgens Lief, twee opties over.
Optie 1: je blijft op de rechterbaan rijden, maar je verlaagt je snelheid naar 80 km per uur.
Optie 2: je schuift een baan op en gaat 81 km per uur rijden, zodat de idioot met de aanhangwagen doorheeft dat ie op moet schuiven

In mijn wereld is optie 2 gewoon bumper kleven en ook dat is niet wenselijk toegestaan.
En optie 3, tja, daar kwam ik zo snel niet op.
Dus verlaagde ik de snelheid naar 80 km per uur en ging ik synchroon zwemmen met de bestuurder naast me.

Maar effe serieus, mensen, dit was niet echt bevorderlijk voor mijn welzijn.
En toen Lief bij aankomst ook nog eens spontaan uit de auto sprong om me te – ik citeer – “helpen” bij het parkeren, toen was de maat echt vol.

Iedere idioot kan auto rijden.
Dus ik ga het niet meer doen!

Over gelijk hebben, gelijk krijgen of je gelijk halen

Het verdient geen schoonheidsprijs, maar ik hou er van om gelijk te hebben.
Vooral als Lief knarsentandend toegeeft dat ik weer eens gelijk heb: Priceless!

Toen de kleine Puk met een spoedkeizersnede gehaald moest worden, was het enige wat ik deed “Ik zei het toch!” roepen.
Lief sloeg zijn ogen ten hemel. Maar mij kon het niets meer schelen.
Ik had altijd beweerd dat het een meisje zou zijn, dat ze in de 38e week zou komen en dat ze in een stuit zou liggen.
Had ik gelijk? Jep, jep en jep.

En laatst weer.
Ik had Lief nog zo gewaarschuwd.
Zo’n kinderstoel met uitstaande poten is levensgevaarlijk.
Ik struikel namelijk over die dingen.

Maar om kracht bij mijn woorden te zetten, zetten we Puk in zo’n kinderstoel.
Het enige wat ik hoefde te doen, was opstaan.
Ik had niet eens een stap gezet en daar ging ik.
*FLATS*
Helemaal languit.

“Gaat het?” vroeg Lief geschrokken.
Voorzichtig krabbelde ik overeind.
Mijn knie was beurs en mijn handen geschaafd.
Een brede grijns verscheen op mijn gezicht.
“Ik zei het toch!”

Hij en ik: Er zit een banaan in je oor!

Bert en Ernie.
Wie kent ze niet?
De twee vrienden van Sesamstraat.
Waarvan niemand zeker weet of ze ‘alleen’ maar vrienden zijn.

Ook hier thuis is er een obsessie voor Bert en Ernie.
De godsganse dag roept Lief namelijk tegen de Puk: “Bert! Bert! Er zit een banaan in je oor!”
Waarna Lief hartelijk grinnikt a la Ernie.

“Bert! Bert!”, roept Lief hoopvol naar de kleine, “Bert! Bert!”
Na de #$^%$% ste keer, grijp ik in.
“Straks denkt ze nog dat ze Bert heet!”
“Maar ze moet er altijd om lachen…,” zegt Lief beteuterd.
“Zie je nu iets wat ook maar een beetje op een reactie lijkt? Nou?”
“…”
“Precies, geef het maar op!”

Maar Lief geeft niet op.
“Bert! Bert!”, blijft hij tegen de Puk roepen, “Bert! Bert!”
En ik zwéér het je, dat de Puk nog nooit ook maar een klein beetje om heeft moeten lachen.
Het is een vrolijk kind, en ze lacht naar alle mensen.
Maar niet als je haar Bert noemt.
En ook niet als je er heel raar bij grinnnikt.
Punt.

Hoe groot was mijn verbazing toen er een bericht op mijn telefoon binnenkwam.
Het was een filmpje van de Puk.
Scháterlachend om “Bert! Bert!”
En ze deed het niet één keer.
Nee, ze lachte keihard en onafgebroken.
Iedere keer als ze “Bert! Bert!” hoorde, lag ze weer dubbel.
Zo vrolijk had ik haar nog nooit gezien!

Eenmaal thuis, deed Lief het nog een keer voor.
“Bert! Bert!”
En de Puk lachte haar mooiste lach.
Ik kroop door het stof en gaf Lief voor het eerst gelijk.
Puk vindt Bert en Ernie wél leuk.
En ze kan er geen genoeg van krijgen.

Maar goed.
Dat Lief het doet, is één ding.
Ik zou mijn principes nooit over boord gooien.
Bert en Ernie nadoen is gewoon… Stom.
En ik wil echt niet dat de Puk denkt dat ze Bertha – roepnaam Bert – heet.

Tot ik haar vanmorgen wakker maakte.
De Puk was not amused.
Ze lag nog lekker te slapen en ze wilde verder dromen.
Toen ik ook nog aan haar armpjes ging trekken rommelen om haar pyjama uit te doen, had ik écht al mijn kruit verschoten.
De kleine Puk zette het op een huilen.
* Dit. Vind. Ik. Niet. Leuk! * jammerde ze.
En och, wat was ze chagerijnig.
Pffffff!!!

En daarom.
Probeerde ik het toch maar.
Eerst nog zachtjes.
Zodat Lief het niet zou horen.
Een kleine lach verscheen op haar gezicht.

Voorzichtig keek ik over mijn schouder.
Me ervan verzekerend dat Lief niet achter me stond.
En voor ik het wist, gooide ik het er uit.
Vol overgave en zonder schaamte:
“Bert! Bert! Er zit een banaan in je oor!”