Niet te filmen

Ik wil niet zielig doen – maar ik doe het toch.
Lief en ik gaan nooit naar de film.
Nooit.

Voor degenen die denken dat ik overdrijf.
Lief en ik kennen elkaar bijna zestien jaar en in die zestien jaar zijn we welgeteld naar drie films geweest.

De eerste was Moulin Rouge (2001)
Ik vond het fantastisch!
Lief vond de muziek wel leuk (yeah right).

In Hong Kong zagen we samen Men in Black II (2002)
Ik vond het fantastisch!
Lief lachte één keer.

De derde en laatste film die we samen zagen was Revolutionary Road (2008).
Ik vond het fantastisch!
Lief heeft geleden alsof de tandarts zonder verdoving alle tanden uit zijn mond had getrokken.
Mocht je daar nog over willen lezen, klik hier

Het moge duidelijk zijn.
Lief is geen movie-material.
Hij kijkt veel liever voetbal.
En guess what?
Ik háát voetbal.
Dus gaat hij nooit met mij naar de film.
En zit ik nooit naast hem op de bank voetbal te kijken.
Zo’n harmonieus stel zijn we wel weer.

Maar vorige week zondag was het dan ein-de-lijk zo ver.
Ik zag weer eens een film.
IN DE BIOSCOOP!
Man, wat was ik blij!
Gezellig met zijn tweetjes naar de film.
Ik nam zakdoekjes mee, kocht een bak schandalig zoete popcorn en maakte 100 selfies.
We waren een kwartier te vroeg, maar ik heb gedanst in de foyer.
Het was Kerstmis en Pasen en Zomervakantie tegelijk.
Wat was ik gelukkig.

Ik vond het fantastisch!
En Puk?
Die vond de popcorn het leukst.

Vroeger was alles beter (2)

Vroeger, in het tijdperk zonder kinderen, had ik sommige dingen best goed voor elkaar.
Toiletprivacy bijvoorbeeld.
Als de nood aan de man was, hoefde ik nergens over na te denken.
De enige mogelijke obstakels waren 1) het einde van een wc rol 2) obstipatie.

Tegenwoordig is het een hele onderneming voor ik het kleinste kamertje van binnen kan bewonderen.
De Watermeloen is nog redelijk gemakkelijk.
Die leg je op een plek neer waar hij niet van af kan rollen.

De Puk is een ander verhaal.
Die moet formeel geïnformeerd worden.
Anders gaat ze naar mij op zoek en beschuldigt ze me van vals spelen (“Ik had nog niet ‘wie niet weg is, is gezien’ gezegd!”)
Vervolgens moet ik een hele lijst van verwachtingen opsommen.
“Puk, ik ga even naar de wc. Jij mag lekker verder spelen, maar je gaat niet naar de keuken, je gaat geen koekjes pakken en ook van de chocolade paashaas blijf je af, okee?”
En als ze bevestigd heeft dat ze niet naar de keuken gaat, geen koekjes pakt en ook van de chocolade paashaas afblijft, moet ik niet vergeten dat de regels ook voor haar knuffel gelden: “En Broer Konijn blijft ook hier, gaat niet naar de keuken, gaat geen koekjes pakken en blijft van de chocolade paashaas af, okee?”
Het zou namelijk niet de eerste keer zijn dat niet Puk, maar haar konijn moeders regels aan de laars lapt.
Als alle stappen zijn doorlopen, kan ik een sprintje trekken naar het toilet.

Maar heel soms gooit de Watermeloen roet in het eten.
Dan doet hij zijn naam eer aan; rond en gezond, maar vol pit!
Tijdens zo’n uitbarsting van pit, is het enige dat helpt vasthouden en wiegen.
Vasthouden én wiegen.
Want vasthouden zonder te wiegen werkt niet.
Wiegen zonder vast te houden evenmin.
Dus houd ik hem vast en wieg hem heen en weer.

En als zo’n bui samenvalt met een volle blaas hebben we een serieus probleem.
Dan dreigt er dubbel explosiegevaar.
Het neerleggen van de Watermeloen is geen optie.
De andere optie, de vloer dweilen, is ook zeker geen optie (Puk geeft onze houten vloer al genoeg bijvoeding).
Dus blijft over optie C, multitasken.
Dat houdt in: vasthouden, wiegen en met je zoon op de arm plassen, terwijl je je huilende dochter troost omdat ze geen chocola mag om 9 uur ’s ochtends.
Geen aanrader, maar wel efficiënt.
En oh zo gezellig.
Ik zeg het je, tegenwoordig is alles beter!

Vroeger was alles beter (1)

Ooit ga ik als een ouwe sok tegen Puk en Watermeloen mijmeren over vroeger.
Dan leg ik ze uit dat er zoiets bestond als een telefooncel.
Een hokje waarin je kon bellen.
Je moest wel genoeg kwartjes bij je hebben, anders werd je gesprek afgebroken.
Telefoonnummers leerde je uit je hoofd.
En als je iemand wilde spreken, kon het zo zijn dat je eerst diens vader of moeder aan de lijn kreeg (dat kon best gênant zijn).

Ik zal de kinderen vertellen over de komst van de mobiele telefoon.
Van die kastjes met een antenne. Die moest je uit je telefoon schuiven voor een ruisloos gesprek.
Op sommige plekken kon je niet bellen. Dat lukte simpelweg niet.
Je gebruikte je telefoon om te bellen of een bericht te sturen.
En op de luxere varianten kon je een spelletje spelen, SNAKE.
Het was allemaal zwart-wit uiteraard.

Niet iedereen had een mobiele telefoon.
Die mensen waren alleen te bereiken als ze thuis waren, maar dat vond niemand raar.
“Waarom zou ik overal bereikbaar moeten zijn?” was hun argument.
En ze meenden het ook.

Maar al gauw was de GSM niet meer weg te denken.
Overigens zeiden we alleen in de beginjaren GSM.
Later noemde niemand zijn telefoon meer zo.
Wel kwamen er nieuwerwetse problemen bij.
Zoals stress en paniek als je erachter kwam dat je je telefoon thuis had laten liggen (terwijl een paar jaar eerder, iedereen zijn telefoon thuis had liggen).
Of hoe je dwangmatig op zoek ging naar voeding als de accu van je telefoon leeg dreigde te raken. Snel! Snel! Ik heb nog maar 10%
Want een dooie telefoon was echt… Ondenkbaar.
Dus stak je zonder enige aarzeling je hand in de wc pot als je telefoon daar in was gevallen.
En rouwde je een week om zijn verdrinkingsdood.

Ik ga de kinderen vertellen over de blauwe vinkjes.
Hoe je daar serieus ruzie om kon krijgen.
En hoe je soms even op je telefoon keek en vervolgens een uur of twee verder in de toekomst belandde.
Dat mensen daar dan weer ruzie om konden krijgen.

Ook bestond er zoiets als de selfie.
Met de latere telefoons kon je namelijk foto’s maken.
Digitaal.
Zonder fotorolletje.
Dat betekende dat je niet meer naar de Hema hoefde te rennen voor de eenuurservice, maar direct kon zien of je er een beetje mooi bij liep.
En als het je allemaal niet beviel, dan gooide je er een filter over heen.
Dat werd zo gewoon, dat er weer een nieuwe hashtag ontstond #nofilter.

Ik hoor de Puk en Watermeloen al lachen.
Om alle hysterie en iPaniek.
Maar het was best een leuke tijd.
Vroeger.
Toch?

Seven Days Challenge

Over twee maanden schrijf ik alweer 8 (!) jaar voor kwangie.punt.nl
Met dit stukje erbij zit ik op 310 gepubliceerde blogs.
Dat zijn er gemiddeld 3,3 per maand.
Dus het valt best mee met de lage frequentie.
Al ligt het aantal vooral aan de beginjaren, waarin ik soms dagelijks iets eruit poepte.
Dat is me de afgelopen jaren niet meer gelukt.
Daarom is het tijd voor een uitdaging!

De komende zeven dagen zal ik elke dag een stukje plaatsen.
Wees wel gewaarschuwd, want dat betekent dat er ook wat mindere versies van mezelf naar boven komen drijven.
Maar dan weten we dat ook weer 🙂

Het grootste probleem is dat ik alle inspiratie moet putten uit mijn eigen leven.
En dat is alles behalve rock ‘n’ roll.
Het is zelfs zo gezapig, dat ik er van in slaap sukkel.
En slapen is niet verenigbaar met schrijven.
Zie daar! Een vicieuze cirkel.

En misschien komt het ook wel door de poepmachine.
Onze Watermeloen blijkt namelijk een rasechte luierverslinder.
Zo’n tien volle luiers produceert hij per dag.
En bij dat proces komen heel, heel erg veel gassen vrij.
Als mensen het hebben over ‘de roze wolk’ of ‘een wolk van een baby’, dan bedoelen ze volgens mij de walmen die zo’n baby met zich meebrengt.
“Hou eens op met dat poepen!” roep ik regelmatig, waarna hij mij trakteert op een stralende lach met een flinke klodder mosterd.
Ik weet bijna zeker dat die dampen me een paar honderd hersenscellen per keer kosten.
Keer tien luiers per dag.
Keer 365 dagen.
Keer 3 jaar.
Is heel erg veel sterfte in de bovenkamer.
♪Het houdt niet op, niet vanzelf…♪

Enfin.
Ondanks de walmen en de dampen, de gassen en de stanken, ga ik de komende dagen mijn uiterste best doen om iets te posten.
Maar nu eerst even een dutje.
Tot morgen!

Heb je een abonnement?

Zo af en toe kom ik een zeldzaam exemplaar tegen.
Een lezer.
Iemand die vrijwillig en zonder betaling de woorden leest die uit mijn hoofd rollen.
De narcist in mij wordt daar altijd wild enthousiast van.
EEN LEZER! YEAAAAAH! gaat er dan door mijn hoofd.

Het liefst vraag ik de lezer in kwestie het hemd van het lijf.
“Wat vind je zo leuk aan mij mijn blog?”
“Wat zijn verbeterpunten?” [het enige juiste antwoord daarop is overigens ‘ik vind alles wat je schrijft fantastisch’ – red.]

Wanneer ik schrijf heb ik namelijk de grootste lol.
HA HA! roep ik dan vanachter mijn laptop.
Of HA HA HA! als ik mezelf heel grappig vind.
Maar altijd worstel ik met het einde.
Daar moet namelijk iets héél grappig komen.
En dan probeer ik 47 verschillende opties uit.
Laat ik het even rusten.
Schaaf het nog wat bij.
Om meer dan de helft van de tijd niets te posten.
De waarheid is dat ik dagelijks schrijf, al zou je dat niet zeggen gezien de lage frequentie hier.
De keren dat er iets op het internet belandt, ben ik altijd in een soort van beschonken schrijverstoestand.
Dus schaam ik me de dag erop voor alle onzin die ik heb uitgekraamd.
Ik troost mezelf met de gedachte dat ‘toch niemand ooit die nonsens leest’.

Als ik dan een keer iemand tegenkom die zegt dat hij mijn blog leest, dan juicht het kind in mij.
“Echt waar?” zou ik willen zeggen, “Echt, echt, écht waar?”
Maar meestal zeg ik gewoon niets.
Bang dat ik tegenval.
In levende lijve ben ik namelijk nogal, uhm… mezelf.
Op een gemiddelde dag betekent dat zo’n vijf vreemde opmerkingen per minuut.
Onder druk verdubbelt dat tot tien rare dingen per minuut.
Minstens.
En in het echt heb je geen type-ex.
“Oeps! Stomme opmerking, verwijder dat maar uit je oren!”
Dat kan dus niet.
In het echt heb je maar één kans om een normale indruk achter te laten.
Eén moment om te laten zien dat je geen psycho bent.

Gelukkig zijn er miljoenen opmerkingen wél goed.
Dus toen ik een lezer tegenkwam op een feestje ging het zo.
Zij: “Hee! Ik heb je blog gelezen!”
Ik : “Heb je een abonnement?”

HEB JE EEN ABONNEMENT?!
Hoe verzin ik het?
Heb je een abonnement…
Okee, ik geloof dat ik een lezer kwijt ben.