Back in business
De kop is eraf!
De eerste week zit er weer op.
En geen van mijn doemscenario’s is uitgekomen.
Zo herkende ik Watermeloen nog na een dag werken.
Want zeg nou zelf, alle babies lijken op elkaar.
Gelukkig waren er maar vijf babies op de opvang toen ik Watermeloen ging halen.
Vier daarvan waren meisjes.
En zo wist ik: dat is de Mol Watermeloen!
Wat gebeurde nog meer niet?
Ik ben niet één dag op de bank in slaap gevallen.
In mijn hoofd zag ik het voor me.
Uitgeput thuiskomen, tas in de hoek, schoentjes uit en dan *plof* op de bank.
Heerlijk!
Even… ogen… dicht.
Tot de telefoon gaat.
Laat maar gaan, denk ik dan.
Arme Puk.
Arme Watermeloen.
Wachtend op hun moeder.
Die hen is vergeten op te halen.
Wat werk-rampscenario’s betreft kwam ook weinig uit.
Zo raakte ik niet verdwaald.
Ik hoefde dus niet te zwerven door de gevaarlijke straten van Nijmegen.
Uitgehongerd en verwilderd.
Sterker nog, ik kon het kantoor in één keer vinden.
En als klap op de vuurpijl hoefde ik niemand te vragen waar de ‘aan’-knop van de computer was gebleven.
Ik hoefde trouwens ook niet te huilen.
Kurkdroog hield ik het.
De doos met tissues die ik van een collega heb gekregen als welkomstkadootje stopte ik opportunistisch in de la.
Weliswaar binnen handbereik (je moet het lot niet tarten), maar niet meer op schoot. Zoals het eerste half jaar bij Puk.
Okee, vooruit.
Eén moment had ik misschien wel een ienimini kleine inzinking toen ik zestienmiljoen keer dezelfde mail had gelezen en nóg geen flauw idee had wat er nou stond.
Toen ging de la wel even open om wat zout water weg te deppen.
Maar dat moet je maar even door de vingers zien.
Wat mij betreft ben ik back in business.
Helemaal on the roll.
En nog meer one-liners die in het Engels beter klinken dan in het Nederlands.
Maar nu eerst: Weekend!
Tropenjaren
Ik ben er nog nooit geweest, maar het lijkt er me zalig.
Altijd zon.
Altijd warm.
Nooit meer koude voeten.
Dag dekentje op de bank, hallo hangmatje onder de palmboom!
Het lijkt me heerlijk vertoeven, daar in de Tropen.
Ik zou het helemaal niet associëren met bijvoorbeeld chaos.
Of slapeloze nachten.
Of uitdijende heupen en uitgelijden over rondslingerend Duplo.
Tropenjaren.
Wie heeft dát nou weer bedacht?
Het zorgelijke vind ik nog, dat niemand het ‘tropenweken’ noemt, waardoor ik vermoed dat deze gekte nog wel eventjes gaat duren.
Tropenjáááren. Seriously?
Gelukkig moet mag ik morgen weer werken.
Dan is de anarchie compleet.
Ik zie al voor me hoe ik na een dag werken van de opvang naar huis sjees.
De eerste uitdaging is om twee kinderen thuis zien te krijgen.
Zonder auto (want die is met Lief mee).
En zonder fiets (want Watermeloen kan nog niet zitten).
Maar dat is nog niet de echte uitdaging.
Het wordt pas ingewikkeld als het regent.
Want Puk háát regen ik zou niet weten van wie ze dat heeft.
Als Puk door de regen loopt, zou je haast denken dat ze bekogeld wordt door waterballonnen gevuld met zwavelzuur.
Om te voorkomen dat ze midden op de weg stil staat omdat haar capuchon weer eens is afgewaaid of dat ze als een Mary Poppins met paraplu en al de lucht ingeblazen wordt, kun je haar maar het beste optillen.
Dan heb je maar liefst 21 kilo aan je lijf hangen.
Huh?
Ja, je leest het goed.
21 kilo.
Want Watermeloen hangt er ook nog bij.
En Puk + Watermeloen = 21 kilo.
Watermeloen is namelijk een reïncarnatie van een babykangaroe.
En hij is vastbesloten in dit leven niet anders vervoerd te worden dan in een draagzak.
Ook niet in een kinderwagen?
Zelfs niet in een auto?
Nope en nope.
Het is ook best logisch.
Je kunt wel een watermeloen uit een kangaroe halen, maar probeer maar eens een kangaroe uit een watermeloen te halen.
Onmogelijk!
Maar goed.
Alles went.
Het is niet te doen ideaal, maar je moet toch wat.
Eenmaal thuis begint de tweede ronde.
Het is belangrijk om de aardappels zo snel mogelijk op het vuur te hebben.
Dan zet je Puk voor de televisie en vervang je met één hand de luier(s) van Watermeloen.
Gelukkig scheelt het dat je al bent natgeregend.
Dan maakt het niet meer uit als Watermeloen besluit zijn fontein aan te zetten terwijl jij boven hem hangt en dat Puk roept dat ze liever Shimmer & Shine kijkt.
Ondertussen probeer je in het nu te leven.
Te genieten.
En het maximale uit het leven te halen.
Want zen ben ik allesbehalve wanneer de aardappels aanbranden, omdat Puk óók NU moet plassen en Watermeloen toch echt liever in de buidel dan in de box ligt.
De zwarte piepers verstop je maar onder een berg appelmoes.
Dan nog de plas van de grond dweilen.
En de afstandsbediening uit Puks handen trekken.
En niet te vergeten een spoedwasje te draaien.
En pedagogisch verantwoord uit te leggen dat je niet boos bent maar teleurgesteld dat er in de broek is geplast.
Zo rond 18.30 is het huilende kinderen all.over.the.place.
En dan moeten we nog aan tafel.
Maar als alles gevoed en gedroogd is en iedereen zijn pyjama aan heeft, is er eindelijk tijd voor het opruimen van Duplo vijf minuutjes niets doen.
Even.
Helemaal.
Niets.
(Hoor je de rust? Fijn, hè?)
Totdat weer iemand roept.
“Mamááááá!!!”
Tropenjaren.
Kunnen we alsjeblieft een tropenrooster daarvoor instellen?
Het kappersincident
Afgelopen dinsdag was het zover.
Watermeloen ging een ochtendje wennen bij de kinderopvang.
En dat was nogal wennen.
Bij Puk huilde ik de tranen uit mijn kop.
Mijn kind achterlaten?
Onmenselijk!
Volgens Lief valt het allemaal reuze mee.
Puk gaat direct spelen (‘Doei papa!’) en het is helemaal niet emotioneel of dramatisch.
Toch was ik er niet gerust op toen ik die ochtend Watermeloen naar de opvang bracht.
Met lood in de schoenen liep ik naar de plek des onheils.
Op de deur hing een briefje waarop stond dat er een griepgolf én een waterpokkenuitbraak was.
Dat moest toch een teken zijn van hogerhand?
Watermeloen was het beste af als ik hem de rest van zijn leven thuis houd.
Maar de leidsters hadden me al gesignaleerd en de kleine Watermeloen schonk ze meteen een grote lach.
Heel geraffineerd plukten ze hem uit mijn handen.
Hij vond het allemaal prima.
Toen ik wegging, lachte Watermeloen.
En ik?
Ik hield het aardig droog.
En dat, beste mensen, is een hele grote stap voor de mensheid!
Want wat was ik verdrietig.
Voor drie uur lang was ik moederziel alleen en liep ik met mijn ziel onder de arm. (Hoe meer zielen, hoe meer vreugd ging voor mij niet op).
Wat moest ik in hemelsnaam met al die tijd doen? Wat?!
Misschien maar even langs de kapper.
Je dacht toch niet dat dit stukje een verkeerde titel had, hè?
Gelukkig kon ik er zonder afspraak terecht.
Ik mocht meteen met mijn hoofd in de wasbak en terwijl ik daar lag, zag ik Sofie van den Enk op tv.
Ze zag er stralend uit.
Dus zei ik tegen de kapper: “Doe mij maar haar haar!”
Ja, heel creepy, ik weet het.
Maar ze heeft echt heel mooi haar en dat wilde ik dus ook.
De kapper was wat stilletjes.
En stiltes zijn awkward.
Maar niet zo awkward als ik die de stilte probeer te doorbreken:
“Ik heb mezelf een beetje verwaarloosd, erg hè? Ik zei altijd niet jezelf verwaarlozen als je moeder wordt! Maar ik heb mezelf toch laten verslonzen.”
Vreemd genoeg zei de kapper niet “Jij?! Verwaarloosd? Ga toch weg! Als elke moeder zo’n hot mama was als jij, zou de wereld zoveel mooier zijn!” of iets in die trant.
Op mijn monoloog, zei de kapper letterlijk: “Och, je bent echt niet de enigste.”
Je begrijpt dat ik hem in gedachten over de wasbak sleurde en met een priemende vinger “FOUT!” heb geroepen?
Fout, omdat 1) het ‘enige’ is en 2) omdat ik daar moederziel alleen zat met mijn ziel onder de arm en ik dus een beter antwoord nodig heb dan ‘je bent echt niet de enigste.’ Tsss…
Maar goed.
Zo stoer als ik ben, hield ik uiteraard mijn mond.
Het zij hem allemaal vergeven, want hij heeft me Sofie van den Enk-haar geschonken.
En daardoor voelde ik me eventjes beter.
Al bleef de knoop in mijn maag.
Er was pas sprake van een incident diezelfde avond.
Lief kwam thuis en er gebeurde niets.
Helemaal niets.
Toen Lief na meer dan een uur nog steeds niet had gezien dat ik briljant nieuw haar had was het tijd voor actie.
Op aanraden van Door, die me op Twitterafstand ondersteunde, heb ik met mijn haren gewapperd.
Dan zou hij het vast zien!
Ik gooide met mijn haar.
Schudde erop los.
Ik wapperde en wapperde.
Met de windenergie die daarbij vrijkwam, had ik heel Nijmegen van stroom kunnen voorzien.
Maar Lief gaf niet thuis.
Reactie: zero.
Toen was de maat he-le-maal vol.
“Ik ben naar de kapper geweest!” schreeuwde riep ik uit en misschien riep ik nog wel meer.
“Er is minstens 167 centimeter eraf gehaald! MINSTENS” tierde ik.
En hij had er nog best mee weg kunnen komen als ‘ie gewoon “Verrek, nu je het zegt… Ik dacht al, wat zie je er goed uit!” had gezegd.
Meer verwachtte ik niet.
Echt niet.
In plaats daarvan moest ik het doen met een ‘ik had het niet gezien’.
“Ik ben naar de kapper geweest!”
“Ik had het niet gezien.”
Toen heb ik toch maar eventjes gehuild.
Als een brulaap.
De rest van de avond.
Stomme hormonen.
Koehandel met je kind
Voordat Puk geboren was, had ik wel wat ideeën over opvoeding.
Maar eigenlijk had ik geen idee.
Geen idéé.
Wat waren dat toch mooie tijden.
Zoals televisie kijken.
Dat zou Puk nooit doen.
We gingen hele dagen knutselen, knuffelen of kletsen.
Waarom zou Puk voor de televisie willen?
“Puk, wil je televisie kijken?”
“Neuh, ik pak liever een boek.”
Dat idee.
Alleen kan ze nog lang niet lezen.
En in de tussentijd kijkt ze vrolijk televisie.
Want tv kijken, dat blijkt toch wel onmisbaar handig te zijn in het dagelijkse leven.
Om veilig te kunnen koken bijvoorbeeld.
Of elk willekeurig ander klusje waarbij je je handen nodig hebt.
En onderhandelen.
Ook zoiets.
Daar zou ik niet aan beginnen.
Als je gaat onderhandelen met je eigen kind is het einde zoek.
Zo zei ik ooit tegen Lief: “Als ze voor de rechter staat, kan ze toch ook niet onderhandelen? Zo van ‘Wat?! Tien jaar cel? Daar ben ik het niet mee eens, doe maar vijf en dan hebben we het er niet meer over!‘ ”
Dat is natuurlijk een heel verkeerde gedachte.
Allereerst, waarom belandt Puk überhaupt in de rechtbank?
En daarnaast…
Als je het nieuws gevolgd hebt, weet je dat het heel normaal is om een dealtje te sluiten met Justitie (niet dat ik daar ervaring mee heb, maar toch. Altijd proberen te onderhandelen, luidt het advies).
Enfin.
Puk zou leren luisteren.
Nee is nee.
En geen “als… dan…”
Simpel, toch?
Wist ík veel.
Je onderhandelt juist de hele dag!
Opvoeden voor dummies had net zo goed ‘onderhandelen met je peuter’ kunnen heten. Want Puk is gewiekst.
En voor je het weet zit je middenin een koehandel.
“Mama, ik heb honger.”
“Ik zal wel even iets voor je maken, schat.”
“Mama, als jij gaat koken, mag ik dan televisie kijken?”
“Nee, Puk, maar je mag wel eventjes spelen.”
Meestal loopt Puk hier weg, rommelt wat en komt dan weer terug.
“Mama, ik heb al gespeeld.”
“Dat klopt, je hebt heel lief gespeeld.”
“Mag ik dan nu televisie kijken, alsjeblieft?”
“Uh, nee, we gaan geen televisie kijken.”
“Maar ik heb het lief gevraagd!”
“Dat klopt, je hebt het heel lief gevraagd.”
“En ik heb al gespeeld!”
“Juist, uhm, dat klopt ook.”
“Mag ik jou dan helpen?” waarna ze vliegensvlug een ei van de aanrecht pakt.
Of het aanrecht, het mag allebei kwam ik vandaag achter.
Als ik het ei voorzichtig herover, gaan haar handjes richting een pak bloem, “Open maken?” en in no time heeft ze me zo ver dat ik Puk de keuken uitschuif en de televisie aanzet.
“Heel eventjes maar,” zeg ik om mijn geweten te sussen.
En Puk lacht tevreden naar het beeldscherm.
Zo ondertussen heb ik me er bij neergelegd.
Onderhandelen hoort erbij.
Net als televisie kijken omdat het toevallig beter uitkomt.
Of zeggen dat het niet van papa mag.
Van mij mag het, maar van papa, de spelbederver…
Ik denk het wel goed komt.
