Vroeger was alles beter (3)

Weet je wat ik écht mis?
Een ouderwetse liefdesbrief.
Handgeschreven met een vulpen.
Iemand die zijn gevoelens op papier zet en dit vervolgens aan PostNL durft te geven, verdient de Nobelprijs voor de Liefde!

Het enige nadeel dat ik kan bedenken is dat zo’n liefdesbrief kwijt kan raken.
Een track-and-trace nummer op zo’n brief is wat overdreven.
En dus kan het zo zijn dat je nagelbijtend, halsreikend, smachtend wacht op een antwoord dat niet zal komen.

Dat wachten op antwoord is overigens echt een ding.
Want binnen welke termijn is een antwoord redelijk?
Na hoeveel dagen/weken/maanden mag je er van uit gaan dat je liefde onbeantwoord blijft?

Wat een ouderwetse liefdesbrief ook echt mist, zijn de smileys.
Zo’n knipoog zegt soms meer dan duizend woorden.
Ik bedoel…
‘Ik vind je lief.’ of ‘Ik vind je lief’ gevolgd door zo’n gele smiley die jankt van het lachen is toch best een beetje een andere boodschap.

Bij nader inzien.
Spellingscontrole werkt natuurlijk niet offline.
En een liefdesbrief vol spelfouten is alles behalve aantrekkelijk.
Ik geeft je me hart.
Brrrr!
Engerd.
Nee, laat maar.
Stuur maar een sms.

Vroeger was alles beter (2)

Vroeger, in het tijdperk zonder kinderen, had ik sommige dingen best goed voor elkaar.
Toiletprivacy bijvoorbeeld.
Als de nood aan de man was, hoefde ik nergens over na te denken.
De enige mogelijke obstakels waren 1) het einde van een wc rol 2) obstipatie.

Tegenwoordig is het een hele onderneming voor ik het kleinste kamertje van binnen kan bewonderen.
De Watermeloen is nog redelijk gemakkelijk.
Die leg je op een plek neer waar hij niet van af kan rollen.

De Puk is een ander verhaal.
Die moet formeel geïnformeerd worden.
Anders gaat ze naar mij op zoek en beschuldigt ze me van vals spelen (“Ik had nog niet ‘wie niet weg is, is gezien’ gezegd!”)
Vervolgens moet ik een hele lijst van verwachtingen opsommen.
“Puk, ik ga even naar de wc. Jij mag lekker verder spelen, maar je gaat niet naar de keuken, je gaat geen koekjes pakken en ook van de chocolade paashaas blijf je af, okee?”
En als ze bevestigd heeft dat ze niet naar de keuken gaat, geen koekjes pakt en ook van de chocolade paashaas afblijft, moet ik niet vergeten dat de regels ook voor haar knuffel gelden: “En Broer Konijn blijft ook hier, gaat niet naar de keuken, gaat geen koekjes pakken en blijft van de chocolade paashaas af, okee?”
Het zou namelijk niet de eerste keer zijn dat niet Puk, maar haar konijn moeders regels aan de laars lapt.
Als alle stappen zijn doorlopen, kan ik een sprintje trekken naar het toilet.

Maar heel soms gooit de Watermeloen roet in het eten.
Dan doet hij zijn naam eer aan; rond en gezond, maar vol pit!
Tijdens zo’n uitbarsting van pit, is het enige dat helpt vasthouden en wiegen.
Vasthouden én wiegen.
Want vasthouden zonder te wiegen werkt niet.
Wiegen zonder vast te houden evenmin.
Dus houd ik hem vast en wieg hem heen en weer.

En als zo’n bui samenvalt met een volle blaas hebben we een serieus probleem.
Dan dreigt er dubbel explosiegevaar.
Het neerleggen van de Watermeloen is geen optie.
De andere optie, de vloer dweilen, is ook zeker geen optie (Puk geeft onze houten vloer al genoeg bijvoeding).
Dus blijft over optie C, multitasken.
Dat houdt in: vasthouden, wiegen en met je zoon op de arm plassen, terwijl je je huilende dochter troost omdat ze geen chocola mag om 9 uur ’s ochtends.
Geen aanrader, maar wel efficiënt.
En oh zo gezellig.
Ik zeg het je, tegenwoordig is alles beter!

Vroeger was alles beter (1)

Ooit ga ik als een ouwe sok tegen Puk en Watermeloen mijmeren over vroeger.
Dan leg ik ze uit dat er zoiets bestond als een telefooncel.
Een hokje waarin je kon bellen.
Je moest wel genoeg kwartjes bij je hebben, anders werd je gesprek afgebroken.
Telefoonnummers leerde je uit je hoofd.
En als je iemand wilde spreken, kon het zo zijn dat je eerst diens vader of moeder aan de lijn kreeg (dat kon best gênant zijn).

Ik zal de kinderen vertellen over de komst van de mobiele telefoon.
Van die kastjes met een antenne. Die moest je uit je telefoon schuiven voor een ruisloos gesprek.
Op sommige plekken kon je niet bellen. Dat lukte simpelweg niet.
Je gebruikte je telefoon om te bellen of een bericht te sturen.
En op de luxere varianten kon je een spelletje spelen, SNAKE.
Het was allemaal zwart-wit uiteraard.

Niet iedereen had een mobiele telefoon.
Die mensen waren alleen te bereiken als ze thuis waren, maar dat vond niemand raar.
“Waarom zou ik overal bereikbaar moeten zijn?” was hun argument.
En ze meenden het ook.

Maar al gauw was de GSM niet meer weg te denken.
Overigens zeiden we alleen in de beginjaren GSM.
Later noemde niemand zijn telefoon meer zo.
Wel kwamen er nieuwerwetse problemen bij.
Zoals stress en paniek als je erachter kwam dat je je telefoon thuis had laten liggen (terwijl een paar jaar eerder, iedereen zijn telefoon thuis had liggen).
Of hoe je dwangmatig op zoek ging naar voeding als de accu van je telefoon leeg dreigde te raken. Snel! Snel! Ik heb nog maar 10%
Want een dooie telefoon was echt… Ondenkbaar.
Dus stak je zonder enige aarzeling je hand in de wc pot als je telefoon daar in was gevallen.
En rouwde je een week om zijn verdrinkingsdood.

Ik ga de kinderen vertellen over de blauwe vinkjes.
Hoe je daar serieus ruzie om kon krijgen.
En hoe je soms even op je telefoon keek en vervolgens een uur of twee verder in de toekomst belandde.
Dat mensen daar dan weer ruzie om konden krijgen.

Ook bestond er zoiets als de selfie.
Met de latere telefoons kon je namelijk foto’s maken.
Digitaal.
Zonder fotorolletje.
Dat betekende dat je niet meer naar de Hema hoefde te rennen voor de eenuurservice, maar direct kon zien of je er een beetje mooi bij liep.
En als het je allemaal niet beviel, dan gooide je er een filter over heen.
Dat werd zo gewoon, dat er weer een nieuwe hashtag ontstond #nofilter.

Ik hoor de Puk en Watermeloen al lachen.
Om alle hysterie en iPaniek.
Maar het was best een leuke tijd.
Vroeger.
Toch?

Seven Days Challenge

Over twee maanden schrijf ik alweer 8 (!) jaar voor kwangie.punt.nl
Met dit stukje erbij zit ik op 310 gepubliceerde blogs.
Dat zijn er gemiddeld 3,3 per maand.
Dus het valt best mee met de lage frequentie.
Al ligt het aantal vooral aan de beginjaren, waarin ik soms dagelijks iets eruit poepte.
Dat is me de afgelopen jaren niet meer gelukt.
Daarom is het tijd voor een uitdaging!

De komende zeven dagen zal ik elke dag een stukje plaatsen.
Wees wel gewaarschuwd, want dat betekent dat er ook wat mindere versies van mezelf naar boven komen drijven.
Maar dan weten we dat ook weer 🙂

Het grootste probleem is dat ik alle inspiratie moet putten uit mijn eigen leven.
En dat is alles behalve rock ‘n’ roll.
Het is zelfs zo gezapig, dat ik er van in slaap sukkel.
En slapen is niet verenigbaar met schrijven.
Zie daar! Een vicieuze cirkel.

En misschien komt het ook wel door de poepmachine.
Onze Watermeloen blijkt namelijk een rasechte luierverslinder.
Zo’n tien volle luiers produceert hij per dag.
En bij dat proces komen heel, heel erg veel gassen vrij.
Als mensen het hebben over ‘de roze wolk’ of ‘een wolk van een baby’, dan bedoelen ze volgens mij de walmen die zo’n baby met zich meebrengt.
“Hou eens op met dat poepen!” roep ik regelmatig, waarna hij mij trakteert op een stralende lach met een flinke klodder mosterd.
Ik weet bijna zeker dat die dampen me een paar honderd hersenscellen per keer kosten.
Keer tien luiers per dag.
Keer 365 dagen.
Keer 3 jaar.
Is heel erg veel sterfte in de bovenkamer.
♪Het houdt niet op, niet vanzelf…♪

Enfin.
Ondanks de walmen en de dampen, de gassen en de stanken, ga ik de komende dagen mijn uiterste best doen om iets te posten.
Maar nu eerst even een dutje.
Tot morgen!

De geboorte van de kleine Puk

Het begon allemaal op 13 maart 2013.
De zon scheen en ik had nog een afspraak bij de verloskundige.

Zij : “Alles ziet er keurig uit! Ze is volledig ingedaald.”
Ik  : “Mooi!”
Zij : “Heb je nog vragen voor mij?”
Ik  : “Eigenlijk niet, of nee, wacht… Enig idee wanneer ze geboren wordt?”
Zij : “Als we dát toch eens wisten!”

Niemand wist wanneer de Kleine geboren zou worden.
Dan kun je net zo goed nog even naar de HEMA.
Ik was niet echt op zoek naar iets en de luieremmer hadden we ondertussen al in huis, maar toch.
Even neuzen kan nooit kwaad.

Nou, lieve mensen, het kan dus wél kwaad.
Ik was nog geen meter van de baby afdeling verwijderd of *FLATS!*
En als ik ‘flats’ zeg, dan bedoel ik ook echt *FLÁTS!*
130 liter vruchtwater stroomde tussen mijn benen door naar beneden.
Daar, bij de HEMA.

Even wist ik niet meer wat voor en achter was.
Zou ik wegrennen?
Of me verstoppen?
Plat liggen?
Een HEMA baby, dat zal het nieuws wel halen.
En ondertussen bleef het er maar uit gutsen.

“Goh, mevrouw, heeft u soms een ongelukje gehad?”
Een medewerkster zag de bui al hangen, wéér zo’n idioot die in zijn broek plast.
“Uh, nee, sorry, maar uh, mijn water is gebroken, ik bedoel mijn vliezen, sorry!”
En ik ratelde verder: “Ik ga wel even naar de wc, dan uh, ruim ik het hierna wel op hier. Sorry, hoor, ik wist niet dat het zoveel zou zijn, waar is jullie toilet?”
De medewerkster zette grote ogen op.
“Mevrouw, u gaat helemaal nergens heen!”
“Oh, maar ik kan ook niet echt met die natte broek rond blijven lopen… toch?”
“Mevrouw, u gaat NU even iemand bellen.”
“O ja.”

Lief en Zus werden gealameerd en Superheld vriendinnetje M. kwam binnen 2 minuten af op mijn oproep, regelde een handdoek, geld en een taxi, die me veilig thuis bracht. Niemand heeft de vloer meer gedweild. En mocht er iemand van de HEMA Nijmegen dit lezen: Sorry daarvoor!

Eenmaal thuis ging het allemaal snel.
Heel snel.
Lief wilde nog een 15 minutes meal van Jamie Oliver in elkaar draaien, maar de weeën kwamen al om de vijf minuten.
Dus werd de verloskundige gebeld en ging ik als een bosjesvrouw verder met grommen en snuiven.
Waar de term ‘puffen’ vandaan komt, mag Joost weten.
Maar ík vond het heerlijk om te HOEEEEE en te HAAAAAA-en.

Helaas merkte de verloskundige dat de Kleine niet helemaal lag zoals het hoorde.
“Ik voel haar mondje, dat betekent hoogstwaarschijnlijk dat zij met haar gezichtje naar boven ligt, maar ik weet het niet zeker…”
En zo kwam er een ziekenhuisrit en een volgende verloskundige die tot de conclusie kwam dat ze “het niet zeker wist”.
Gelukkig heb je anno 2013 zoiets als een echo-apparaat en werd die op aandringen aanraden van Lief en Zus tevoorschijn gehaald.

Wat bleek?
Mevrouwtje lag in een volkomen stuit.
Oftewel, de Kleine zat in een kleermakerszit met haar billen ingedaald.
Tja, toen volgde de morfine (lekker!), een ruggenprik (fantástisch!) en een keizersnee (kan je helemaal niets meer schelen als je onder invloed bent).

Dat allemaal voor een prachtige Puk.
51 cm lang, 6 pond sterk en een temperament van heb ik jou daar.
Ze slaapt veel, drinkt goed en groeit als kool.

Lieve mensen, we zitten op een roze, knálroze wolk.
Het is zo hartverwarmend en mooi en prachtig allemaal.
Alle clichés zijn waar.
Behalve ééntje dan.
Daar zijn Lief en ik het met elkaar over eens.
De poep van je eigen kind stinkt dus écht wel!

——————————————————————————————————————
De kleine Puk heet geen Puk.
Althans, Lief heeft haar niet zo opgegeven bij de gemeente.
Om haar privacy een beetje te beschermen in het digitale tijdperk, noem ik haar hier Puk.
Mocht je haar naam (willen) weten, zou ik je toch willen vragen haar hier gewoon Puk te noemen 🙂