De wijze les van O.

Hij kwam in de tweede bij ons op school.
Een verlegen, blonde jongen.
O. heette hij.
En O. was nogal onzeker.

Het scheen dat hij op zijn vorige school werd gepest.
Dat dat de reden was waarom hij zich nu bij ons voegde.
Maar ons maakte het allemaal niet uit.
Zoals het op iedere kleine school aan toe ging, vonden we het reuze interessant dat er een nieuw iemand bij was.

O. bloeide op.
Hij maakte vrienden en genoot van de aandacht.
Ik vond O. een aardige jongen.
Hij probeerde altijd vlotte grappen te maken.
Of op een andere manier bijzonder te zijn.
Maar hij was ook rusteloos.

Gaandeweg ging O. steeds meer op zoek naar zichzelf.
Eerst wilde hij gabber worden.
De eerste stappen daartoe was het overkopen van een spuuglelijk blauw Australian jasje.
Ken je die dingen nog? Zo niet, het was een veel te duur trainingsjasje.
O. liep van de ene op de andere dag op Nike-ies en het trainingspak rond.
Op schoolfeestjes stond hij op de dansvloer te hakken en Hardcore was het helemaal.

Na een tijdje wilde O. toch liever alto worden.
Dus hing hij zijn Aussie aan de wilgen en kwamen de wijde pijpen tevoorschijn.
Hij liet zijn haren groeien, rookte en blowde en was ineens heel relaxt en vredelievend.
Mensen moesten vooral lief voor elkaar zijn.
Zo doende besloot hij dat hij bi-seksueel wilde zijn.

Dit was O. in een notedop van 2 t/m 6 VWO.
Ik hoop niet dat ik hem tekort doe door hem zo neer te zetten, want hij was echt wel een bijzondere jongen.
Alleen nogal zoekende.
En ik hoopte dat hij zichzelf uiteindelijk zou vinden.
Of dat hij zich neer kon leggen bij gewoon zichzelf zijn, want dat was ook echt hartstikke prima.

Jaren later hoorde ik via via dat O. op een dag besloten had om muzikant te worden.
Hij stopte met waar hij mee bezig was en begon zich hierop te storten.
Als hij écht van de muziek wilde leven, moest hij alles opgeven wat niet met muziek te maken had.
O. ging er helemaal voor.

Natuurlijk ging het niet zonder horten en stoten.
Maar hij slaagde erin in eigen beheer muziek uit te brengen.
Hij schopte het zelfs tot De Wereld Draait Door, mocht bij Giel op 3FM zingen en hij toerde door eigen land, Duitsland, Zwitserland, Engeland, Denenmarken…

Het bijzondere is dat ik denk dat O. zichzelf ondertussen wel gevonden heeft.
Ookal maakte ik me oprecht zorgen, O. lijkt op zijn pootjes terecht gekomen.
En ik? Ik doe maar wat.
Ik weet nog steeds niet wat ik wil behalve stinkend rijk worden met niets doen.
Eigenlijk heb ik gewoon alles omarmd wat op mijn pad komt.
Gaat het leven naar links, dan ga ik naar links.
En wat ik onderweg tegenkom, daar lachen we maar om.

Wat dat betreft kan ik van O. nog veel leren.
En eigenlijk is het allemaal heel erg simpel: Maak een keuze en begin gewoon!
Want uiteindelijk komt geen één droom uit, zonder dat je er iets voor moet doen.

En dus, lieve lezer, stop ik voor vandaag.
Want ik moet hoognodig iets voor mezelf doen.
Fijne dag!

Over de navelstreng en de échte dunne buik

Ik was gezegend met een redelijk platte buik.
Niet dat ie mooi strak was.
Of gespierd.
En het was ook geen wasbord.
Maar toch was hij redelijk plat te noemen.

Vriendinnetje M. zei het ooit eens treffend.
“Je hebt echt geluk met je buik! Daardoor lijk je slank.
Maar als je écht dun was geweest, zou je niet zo’n diepe navel hebben.”

En gelijk had ze.
Echte dunne meisjes hebben geen gat in de buik.
Er is simpelweg niet genoeg vlees/vet/huid om enige vorm van diepgang diepte te vormen.
Bij échte dunne meisjes zit de navel niet in, maar óp de buik.

Mijn navel daarentegen was misschien wel vier centimeter diep.
Geen idee hoeveel dat is?
Steek je wijsvinger maar eens uit.
En probeer dan twee kootjes in je navel te steken.
Zó diep.

Ik was er dan ook heilig van overtuigd dat mijn navel nooit het daglicht zou zien.
Boy! Could I be more wrong?

Eerst leek het een soort van schaduw. Een schijnbeweging.
Maar de laatste dagen begint hij uit zijn schulp te kruipen.
Eerst langzaam en voorzichtig nog. Alsof het moest wennen aan de buitenwereld.
Met de tijd ging het sneller en sneller.
Durfde het grotere stappen te nemen.
Risico’s te incasseren.

En nu is het niet meer tegen te houden.
Binnenkort floept mijn navel eruit!
In vol ornaat midden op de buik.
Als een misplaatst grapje van Moeder Natuur.
Kan ik dan eindelijk zeggen dat ik een buik heb, zoals échte dunne meisjes.

Opstaan voor iemand, misstaat niemand

In de bus heb je van die plekken die bestemd zijn voor de crème de la crème van de samenleving.
En sinds kort behoor ik tot het selecte groepje dat legitiem gebruik mag maken van die plaatsen!
Ik kan je vertellen, ze zitten heerlijk, die voorkeurszitjes.
Alles is binnen handbereik: het knopje om de bus te stoppen, een extra steun om je tas arm op te leggen en een leuning om je aan op te trekken.
Echt geen overbodige luxe!

Het enige nadeel vind ik dat mensen je altijd zo… Aankijken.
Zeker als de bus vol is en mensen het idee hebben dat je onrechtmatig op zo’n voorkeursplek zit.
Ze beginnen te kuchen of – erger – proberen je te hypnotiseren met een boze blik.

Op dagen als deze, waarin een muts, sjaal en wanten geen overbodige luxe zijn, schuif ik dan altijd mijn winterpakket aan de kant. Vervolgens gooi ik mijn jas een beetje onsubtiel open, zodat mijn buik tevoorschijn komt.
“Kijk!” zegt die buik, “ik ben geen aso, ik mág hier zitten!”
Triomfantelijk kijk ik dan terug.
Ha! Eat this!

Het enige nadeel van dit theatrale gedoe is dat ik ook nog eens uit moet stappen.
Dan moet *vlug vlug* de jas dicht, sjaal om, muts op en heel snel opgestaan worden!
En eerlijk, dat laatste gaat niet meer zo gemakkelijk de laatste tijd.
Bovendien moet je ook nog eens niet vergeten in-en uit te checken.
Aaaaargh!!
Elke keer zie ik het voor me dat de deuren dichtklappen op het moment dat ik mijn buik naar buiten duw.

En dus zit ik voortaan niet meer op de voorkeursstoeltjes.
Het is gewoon te stressvol.
Ookal mis ik de luxe.
Het is gewoon niet anders.
Tegenwoordig zit ik op zo’n karige klapstoel, dicht bij de uitgang.
Met mijn jas dicht en buik ingepakt.
Je moet ten slotte wel je plaats kennen.

Broccoli blijf bij je lees(t)

Worden jullie al gek van alle zwangerschapsverhalen?

a. Ja! Hou er eens over op!
b. Een beetje.
c. Nee, hoor! Vertel gerust verder want ik lees het toch allemaal niet.

Nou, het spijt me.
Ik wil best iets vertellen over broccoli, maar daar weet ik gewoon niet zoveel over te vertellen.
Behalve dat het goed voor je is.

Dus blijf ik maar een beetje bij de leest, schoenmaker die ik ben.
Ik weet niet of het iets met mijn huidige toestand te maken heeft, maar ik ben ineens nóg slechter geworden in Algemeen Beschaafd Nederlands. Had ik voorheen vooral moeite met lidwoorden, tegenwoordig moet ik echt moeite doen om hele zinnen te maken!

Zo wist ik niet meer of je in je handjes kunt klappen of wrijven.
Gelukkig kunnen de meeste mensen het allebei – mits je armen lang genoeg zijn dat je handen elkaar kunnen raken.
Maar waar het mij om ging is hoe de uitdrukking ookal weer luidde.
Als iemand heel erg blij met je mag zijn, mag hij dan in zijn handjes klappen of mag hij dan in zijn handjes wrijven? Dat laatste lijkt me de juiste, maar ik vind hem ineens niet meer zo logisch. Waarom zou je in je handen wrijven als je blij bent? Ik wrijf alleen maar in mijn handen als ik het koud heb. En dan ben ik écht niet blij, hoor!

Of laatst.
Twijfelde ik of je nekharen overeind gaan staan of dat ze overeind springen.
En als ik héél eerlijk ben, heb ik bij het schrijven van dit stuk behoorlijk vaak op Google gezeten.
Want is het nou schoenmaker of schoenenmaker?
En blijft hij bij de lees of bij de leest?
Wat ís een lees(t) überhaupt?
En waarom moet ik zo nodig uitdrukkingen gebruiken die mijn pet te boven gaan?

U ziet, ik heb het allemaal niet meer op een rijtje!
Zal ik het dan toch maar over broccoli hebben?

Over de zeekoe die aan het tandenpoetsen was

Ik wil niet overdrijven, maar mijn lijf verandert zo ondertussen in een zeekoe.
Ooit een zeekoe gezien?
Ik ook niet.
Maar ik weet zeker dat ze uitzien als ik.
Groot, rond en log.

Ik maak geen grap, het is echt waar.
Toen ik gisteravond mijn tanden stond te poetsen, kwam Lief langs gelopen.
Hij wierp een blik naar binnen en barstte spontaan in lachen uit.
Niet van blijdschap.
Of van geluk.
Nee, hij stond me gewoon uit te lachen!
Wat moet je dáár nou weer mee?

Toen Lief mijn gezicht zag, probeerde hij het nog goed te maken door iets liefs te zeggen.
Maar aangezien hij de reincarnatie van Don Juan is, moest ik het doen met een:
“Nee, nee, sorry! Het ligt niet aan jou. Het is alleen… *grote ogen* … die buik!”

Dus pffieuw! Gelukkig! Het is alleen maar ‘die buik’.
En die buik hangt helemaal niet aan mijn lijf vast of zo.
Nou, bedankt!