De Koning en Kwangie

Toch een beetje jammer dat W.-Lex besloten heeft dat Koninginnedag voortaan op de 27e wordt gevierd.
En dat het Koningsdag heet.

Al die arme toeristen die op de 30e hun kledingkast hebben doorgespit om íets oranjes te vinden en er vervolgens achterkomen dat Queens day is verzet.
Verzét!
Ik zeg het je.
Typisch Hollandse zuinigheid.
Waarom geen twee dagen feest?
27e én 30e.
En als dat onhandig is, dan vieren we toch gewoon vier dagen feest?
De Oranje Vierdaagse.
Ik zie het probleem niet.
Goed voor de horeca, het vaderlandsgevoel en alle hoarders in het land.

Echt een gemiste kans, hoor!
En niet zo fijn.
Want 27 april is ook een klein beetje mijn dag.
Jazeker.
Vandaag schrijf ik namelijk 8 jaar en één week!
Maar vooruit.
I’ll be the better woman!

Eigenlijk had ik het best willen vieren.
Acht jaar en één week is niet niets!
In die tijd ging ik van Azië terug naar Nederland, trouwde met Lief en kloonde mezelf in de vorm van een Puk en een Watermeloen.

Acht jaar en één week.
Ik had flink willen uitpakken.
Met een meet&greet bijvoorbeeld. ik snap jullie teleurstelling dat dit niet door kan gaan, maar we moeten Willy zijn moment niet afpakken.
Of misschien had ik wel een taart kunnen bakken met daarin een versje voor de trouwe fans. nogmaals, we moeten W. zijn feestje gunnen
Maar goed.
Zijne Koninklijke Hoogheid gaat natuurlijk voor op deze koude winterdag.
Dus bij deze:

Willy, mocht je dit lezen wie leest er nu niet kwangie.com?! ik wens je een hele fijne verjaardag!

En ik?
Ik vier voortaan de verjaardag van mijn blog wel op 20 april!

Hij en ik: proberen het niet meer

Ik : Welke wedstrijd is vanavond?
Hij: Feyenoord-FC Utrecht
Ik : Oh, maar die doen niet mee met de top, toch?
Hij: Jawel. Het is de bekerfinale.
Ik : Huh?
Hij: praat langzamer en begint te articuleren Het is de be-ker-fi-na-le.
Ik : Ik dacht dat het om PSV en Ajax ging. aangezien Lief al een hele week roept dat op zijn verjaardag PSV kampioen kan worden
Hij: Het gaat alleen om PSV. Maar dit gaat om de beker.
Ik : Ik snap het niet meer.
Hij: Je hebt het nooit begrepen.

Gelukkig begrijpt u wel dat Lief de rode kaart kreeg na deze grove overtreding.

In de ban van de speen

Een speentje is essentieel in de nacht.
Het biedt instant troost als een reep Tony’s Chocoloney om vier uur ’s middags of op elk willekeurig andere moment van de dag.

Zo’n speen is echt van levensbelang.
Daarom hebben we er ook zoveel van.
Een groene, vier blauwe, twee witte…
En dat is echt geen overbodige luxe.

Voor iets dat zo’n cruciale rol speelt in de nacht, verdwijnen ze toch wel erg gemakkelijk.
Zelfs als je ze op een vaste plek neerlegt.
Ook als je eens in de zoveel tijd een lading nieuwe koopt.

Elke nacht ben ik dus op zoek naar zo’n speen.
Je zou verwachten dat het uit zijn mondje is gevallen en ergens aan het hoofdeinde in bed zou moeten liggen.
Dat klopt ook.
In zo’n 45% van de gevallen.

Het speentje kan ook uit bed zijn gelanceerd (35% van de tijd) of Watermeloen ligt zelf bovenop zijn speen (15%) – dan is dat tevens de reden dat hij huilt. Wat een prins op de erwt, he?
In de overige 5% van de gevallen is de speen simpelweg verdwenen.
Compleet van de radar.

Het is net een Bermuda driehoek daar bij Watermeloen op de kamer.
Zet er een spannend muziekje onder en je hebt de nieuwste Netflix hitserie te pakken over een zwart gat dat elke nacht fopspenen absorbeert.

Daarom liggen er steevast meerdere speentjes in zijn bed.
Dan kun je snel handelen en de klaagzang van Watermeloen afkappen voor hij zijn falsetto stem opzet.

Toch zijn er genoeg nachten waarop ik binnensmonds vloekend op mijn knieën over de vloer maai op zoek naar een speen en gelukkig hebben we sinds kort hulp want wat bij zo’n zoektocht naar boven komt is een hoop stof met een klein speentje eraan.
Het ergste zijn de nachten dat je echt geen speen kunt vinden en de trap af moet om in de woonkamer onder de bank te moeten zoeken.
Tegen de tijd dat díe speen ontsmet en van alle haren ontdaan is, ligt Watermeloen allang te snurken en zijn je voeten zo koud dat je nooit meer warm wordt.

Daarom was ik zo blij met de tip van mijn collega.
Je hebt tegenwoordig namelijk lichtgevende spenen!
Jazeker.
Glow in the dark fopspenen.
Meer back to the future dan dit wordt het niet!
Mij leek het ideaal.
Nooit meer door het stof!
Want als het eenmaal donker is…
Wham!
Dan gloeit ie dus op.
Heel handig!

En vannacht was het zover.
Watermeloen begon aan het tweede refrein van “All by myself” en nam geen genoegen met een aai over zijn bol.
Ik wierp me op mijn handen en voeten en warempel.

Daar was een klein bolletje licht.
Gloeiend in het donker.
Pure magie.
Er verscheen een lach op mijn gezicht.
Daar is ie dan!
my precious

Met twee handen en de grootste voorzichtigheid, raapte ik de speen op.
Starend naar het licht en kon ik niet stoppen met grijnzen.
Wat een uitvinding!
Hoe heb ik ooit zonder gekund?
Als een gekke Gollem tuurde ik naar de lichtgevende speen toen ik ineens besefte dat Watermeloen nog stééds aan het huilen was.

Voorzichtig bracht ik de speen naar zijn mond.
En toen.
Was de Watermeloen.
Helemaal.
Stil.

Hij keek gefascineerd naar het licht dat onder zijn neus vandaan kwam.
Watermeloen bleef er maar naar staren.
Hij keek er behoorlijk scheel van.
En hoe langer hij er naar keek, hoe bozer hij werd!
Uiteraard wilde juist deze speen niet uit zijn mond vallen!
Dus mepte hij er op los, terwijl hij boos en scheel naar het licht gaapte.

Uiteindelijk heb ik de speen maar uit zijn mond getrokken en vernietigd weggegooid.
Voorlopig moet Watermeloen het maar weer doen met een aai over de bol en een hap stof bij de speen
Zo deden onze oma’s het immers ook.

De sloddervos krijgt hulp

Wat hebben Einstein en ik gemeen? behalve de brains?
Dat mijn huis eruit ziet als zijn kapsel.
Op het eerste oog is het best een gezellig boeltje.
Zo’n huis waarin gelééfd wordt.
En waar je niet bang hoeft te zijn als je koekje kruimelt.

Maar zoals niet iedere simpele ziel E=mc2 begrijpt, zullen de meeste mensen de structuur van mijn huis niet begrijpen.
En het is zo simpel.
Echt.

Het zit zo.
Er is geen structuur.
Hoe ik dat voor elkaar krijg?
Met discipline.
Heel veel discipline.

Ik ruim namelijk nooit op.
En Puk ook niet.
En Watermeloen ook niet.
Waar andere mensen onrustig worden van rommel, kan ik me goed afsluiten voor alle bende.

Behalve als er bezoek komt.
Dan haal ik diep adem en raap ik al het speelgoed van de grond.
Kastdeurtje open, kastdeurtje dicht.
*Tadaa!*
Opgeruimd!
De enige uitdaging is dat er een soort van limiet zit aan hoeveel je in een kast kunt proppen.
En natuurlijk Puk die op zoek gaat naar haar speeltjes.

En tussen het speelgoed vind je overal kleding.
Dat is echt handig, hoor!
Heb je het koud?
Hier!
Trek dit maar even aan.
Geknoeid?
Er ligt vast nog wel ergens een shirt.
Sokken, pyjama’s, broeken…
Halve kledingkasten liggen door het huis.

Puk loopt namelijk het liefst op blote voeten.
En soms beslist ze spontaan dat ze wel zonder broek door het leven kan.
En geef haar eens ongelijk.
Als het buiten vriest dat het kraakt, herinneren de blote melkflessen je aan betere tijden.

Ikzelf ben nogal warmbloedig.
Behalve wanneer ik het koud heb.
Dan trek ik even iets aan.
Of uit.
Of aan.
Of uit.

Tel daarbij op Watermeloen, die het leuk vindt om mijn zwarte kleren van witte melksporen te voorzien en je begrijpt de kledingslinger door het huis.

En zo is het hier eigenlijk altijd rommelig.
Ik ben een sloddervos en Puk is een geboren rommelkont.
En Watermeloen is net zo erg.
Die is áltijd zijn speentje kwijt.

En daarom krijgen we hulp.
Een echte hulp!
Ze komt zo kennismaken.
Ik hoop alleen dat ze geen kasten opentrekt.

En zoals Einstein al zei: “Als een rommelig bureau staat voor een rommelige geest, waar staat een leeg bureau dan voor?”
We zijn niet rommelig, we zijn gewoon geniaal gezellig!

Het ongelooflijke verhaal van de staafmixer in de kast

De staafmixer.
Dáár zou je eens over moeten schrijven, aldus Lief.

Maar echt.
Het is zo’n bizar verhaal, dat ik niet weet hoe ik het op papier moet krijgen.
Laat staan dat het enigszins geloofwaardig overkomt (want daar heb ik de afgelopen jaren zo hard aan gewerkt, aan mijn geloofwaardigheid *kuch*).

Hoe het ook zij.
Op 8 mei 2013 kreeg Lief een staafmixer voor zijn verjaardag.
Volledig voorbijgaand aan het feit dat hij helemaal niet om een staafmixer had gevraagd, kreeg Lief toch zo’n ding.

Dat was namelijk reuzehandig.
1) voor Puk – toen bijna 2 maanden – als zij haar eerste hapjes ging eten.
2) voor mij, omdat ik gek ben op verse soep.
Twee grondige redenen waarom Lief een staafmixer voor zijn verjaardag verdiende!
En logischerwijs is hij blij als ik blij ben.
En zo hoort dat.

Ik maakte voortaan elke zondag soep.
Prakte alle hapjes voor Puk.
En leefde me uit met allerlei vormen van soep, prak en drap.
You name it, ik staafmixte het (of zoiets)

Zo ook op die ene donkere donderdag in oktober.
Ik had verlof en meer dan genoeg honger tijd.
Voor soep natuurlijk!

Supersimpel.
– Gooi alle ingrediënten in een pan.
– Giet er water bij.
– Laat er een buillionblokje in vallen.
Ik zou zo een kookboek kunnen schrijven, al zeg ik het zelf.

Wanneer de boel lang genoeg kookt, kun je de staafmixer tevoorschijn halen.
Even mixen et voilà!
In plaats van groente in water, heb je nu soep.
Echte soep!
Het is net hogere wiskunde.

En normaal gesproken ben ik nogal van de veiligheidsmaatregelen treffen.
Echt waar.
Dan haal ik de pan van het vuur (met ovenhandschoenen aan!) en zet hem op een stabiele, hittebestendige ondergrond.
Om te voorkomen dat je Floddertje nadoet, zet je de staafmixer éérst in de soep en druk je dan pas op aan.
Het liefst draag je daarbij een veiligheidsbril schort en schoenen, zodat opspetterend hete vloeistof geen direct contact kan maken met de huid.
verder heb ik geen eigenaardigheden, hoor, echt niet!

Maar die donkere donderdag in oktober zat ik nog volop zwanger en hormonaal te wezen.
Dus het enige veiligheidsvoorschrift waar ik me aan hield was ‘geen kinderen in een straal van een meter’.
Ik had namelijk haast en honger.
En honger en haast.

In no time begon het te walmen en te roken.
Te stomen en te dampen.
Het duurde gelukkig niet heel lang voor ik door had dat niet de soep aanbrandde, maar de staafmixer.
Het snoer van de staafmixer wel te verstaan.
Die lag te roken op het vuur.
En dat was foute boel!

De staafmixer die ik zo lief had, had een onherstelbare burn out.
Uiteraard konden alle onderdelen vervangen worden, behalve het snoer.
Wat heb ik getreurd en gerouwd!
Nog weken zuchtte ik dat ik hem miste.

En na vijf maanden kon Lief het niet meer aan zien.
Voor mijn verjaardag, twee weken geleden, kreeg ik een gloednieuwe staafmixer!
Tranen van vreugde rolden over mijn wangen.
Ik kon weer soep maken!
Prak!
En drap!
Sindsdien is het leven weer een beetje mooier!

En zo ontstond er een heel blog over een staafmixer.

ps.
De reden dat dit stukje ‘het ongelooflijke verhaal over de staafmixer in de kast’ heet en niet ‘een heel blog over een staafmixer’, is omdat we diezelfde middag nog ontdekten dat ergens achter in de kast nóg een staafmixer stond – ongebruikt met doos en al.
Ongelooflijk, hè?

Bijna net zo ongelooflijk als dat je zojuist een heel verhaal over een staafmixer hebt gelezen.